Robots bekijken de restanten van archieven in de restanten van kantoren. Ze zien ordners, mappen, losse papieren, opengeslagen agenda’s. In de ingezakte bureaus, in de stukgeslagen laden en op de grond vinden ze berekeningen, namen, adressen. En aantallen, overzichten van ontwikkelingen, grafieken en genomen of te nemen besluiten.

De AI-programma’s rangschikken de restanten van de informatie. Ze schrijven hun onderzoeksverslagen en beginnen aan verdere onderzoekingen. Als ze de woorden kantoren en aantallen lezen, gaan ze bepalen hoeveel kantoren er zijn geweest.

Waarschijnlijk duizend, in Nederland. Maar ja, wat noem je een kantoor? Mogelijk waren het er drieduizend.

Het waren er natuurlijk meer, maar dat is niet erg. Want er is niemand die de onderzoeksverslagen leest. Behalve dan een AI-robot die nu zegt: er zijn aanwijzingen dat er tussen de duizend en drieduizend kantoren zijn geweest. Een volgende AI-robot noteert: Aantal kantoren: het veiligst is tweeduizend aan te houden, totdat uit de restanten andere aantallen naar voren komen. Maar er is niemand die iets doet met tweeduizend kantoren.

In de polders en de droogmakerijen draaien de zogenoemde datacenters op volle toeren. De robots storten ze vol met informatie. Tenminste, zolang er elektriciteit is.

Totdat de dijken het niet meer houden. Dan komen de grote zeedieren rustig aangevaren uit het Oude Testament. En de kleine vissen die in het water zwermen zoals de spreeuwen in de lucht. En de eenzame palingen, op zoek naar kadavers. Ze doen de ronde in de restanten van de kantoren, in de ondergelopen datacenters en bij de verdronken robots. Ze denken: Wat is hier aan de hand?

Martin Reints (1950) schrijft gedichten en essays. Hij debuteerde in 1981. Zijn werk werd bekroond met de Herman Gorter-prijs en de J. Greshoff-prijs. Zijn recentste publicaties zijn Lopende zaken (gedichten, 2010) en Wildcamera (gedichten en beschouwingen, 2017).

Meer van deze auteur