Poëzie: wat verandert als er niets verandert

Wil je vooruit, dan moet je eerst terug. Stel dat, en zich iets voorstellen impliceert al een gezien hebben, stel dat je lichaam zich zijn vorige stappen niet zou herinneren, dan moest je bij iedere volgende stap opnieuw leren lopen. Al je stappen tot nu toe, eigenlijk alle stappen van de mensheid uit de geschiedenis, vormen één grote aanloop tot jouw volgende stap. Die misschien niet gezet wordt. Niet gezet hoeft te worden om er toch al te zijn. Maar zonder het verleden geen toekomst, daar valt niets aan te doen.

De wereld doet zich aan ons voor als een op raadselachtige wijze samenhangend geheel met een ruimte, een tijd en een causaliteit als fundamenten. Of het universum werkelijk zo is als we het waarnemen is al sinds mensenheugenis de vraag, en ook de laatste lichting fysici tast wat dat betreft in het duister, maar wij, wij dapper voortstappende primaten, hebben vooralsnog te leven in vier dimensies en een vermoeden van oorzakelijkheid. Daarbij is er, misschien gelukkig, geen sprake van een continuüm. Nee, we bewegen ons stap voor stap voort, onze hartslag wekt de indruk dat het bloed niet in één vloeiende stroom door het lichaam glijdt maar na iedere duw van de pomp een ogenblik stilstaat en, doorgaans in alle vertrouwen, afwacht of het stuwen wordt voortgezet. Het ritme van dag en nacht bepaalt ons leven, de afwisseling van de generaties houdt de soort in stand, cellen moeten keer op keer delen om een orgaan te kunnen opbouwen, zelfs atomen staan hun energie af in van elkaar te onderscheiden impulsen, die kwanta genoemd worden. Binnen in en tussen de elementaire deeltjes gaapt leegte. En tussen de woorden zwijgen de spaties, alsof er steeds even wordt nagedacht over de zinnigheid van een vervolg, en hoe dat dan zou mogen klinken.
Witregels: kaarsrechte sloten tussen Zuid-Hollandse weilanden waarin ongezien leven zich roert en waarin aan één stuk door wordt gestorven. Ik zoek een brug. En nog één. En nog één.
Alles in de wereld herhaalt zich. Stel dat niets zich zou herhalen, dan was de wereld onkenbaar. Zonder opeenvolging in ruimte of tijd van elementen die op elkaar lijken was patroonherkenning onmogelijk. Abstraheren berust op vergelijking en geheugen. Dat doen we voor het grootste deel onbewust. Vanaf het moment dat een zaadcel door een eicel wordt opgeslokt bestaat het leven in routine. Desondanks verandert iedere herneming, iedere doodsaaie maar toch nieuwe stap binnen het voorgeprogrammeerde parcours, het grote geheel. Er is iets bij gekomen. De wereld is groter en ingewikkelder geworden. Je zou een hoger standpunt nodig hebben om het landschap, of het labyrint, te overzien. Herhaling maakt het identieke anders. Nooit wordt iets herhaald zonder dat zich waarde toevoegt aan het bestaande.
Spreken is zo’n routine. Per taal is het aantal spraakklanken beperkt. Je leert ze als kind door volwassenen na te bauwen. Het duurt even voordat je ze in de juiste volgorde kunt plaatsen en het geluid correct koppelt aan betekenis, maar bijna iedereen kan het leren, omdat het aantal mogelijkheden verre van oneindig is. Daar komt bij dat het in het dagelijks leven niet de bedoeling is dat je steeds iets nieuws zegt. Integendeel, intermenselijk contact gedijt het beste bij vaste formules, een rituele uitwisseling van gemeenplaatsen, bevestiging van wat we al dachten te weten. Gelukkig zijn we ons van die tredmolen doorgaans niet bewust. We stoten ritmisch klanken uit om te laten horen dat we er nog zijn. Nog even.
Literatuur is een dans waarin al enkele millennia steeds dezelfde passen, sprongen en posities worden benut. Waarover zouden we het anders moeten hebben dan over onszelf en onze plek in de wereld? Met horten en stoten voltrekt zich iets wat we geschiedenis noemen, maar het lichaam evolueert te traag om werkelijk nieuwe perspectieven mogelijk te maken. Ik kijk nog net zo verdwaasd om me heen als Odysseus, die halverwege de Odyssee ontwaakt op een eiland dat hij niet als Ithaka herkent. Ik stel me dezelfde vragen als Job en ervaar de voorgestelde antwoorden als even onbevredigend. Toch ontwikkelt de literatuur zich, juist doordat teksten in gesprek gaan met hun voorgangers. De inzet blijft gelijk, de vorm laat variaties toe. Niet veel variaties, maar toch. We beweren te verlangen naar vernieuwing, maar in ons hart hopen we dat er weinig verandert, omdat we het radicaal andere niet aankunnen. Wil ik echt iets ongehoords beweren? Dan keer ik terug naar het alleroudste, de eerste oscillaties na de oerknal.

Poëzie appelleert aan de diepste ritmen van het bestaan, de hartslag van je moeder, de trilling van haar stembanden waarmee je al voor je geboorte vertrouwd was. Poëzie maakt patronen voelbaar die we in het dagelijks leven niet opmerken. We realiseren ons doorgaans niet — de goden zij dank — dat alles wat we zeggen een herhaling van zetten is, maar poëzie buit die herhaling juist uit door haar te benadrukken. Daarmee is het gedicht, althans het goede gedicht, een representatie van de wereld, van het leven, van het zijn. Waarneembare regelmaat in het ritme, echo’s van klinkers en consonanten, metrum en rijm, en na iedere herhaling in een fractie van een seconde de hoop niet teleurgesteld te zullen worden. Tegelijkertijd mag de cadans niet eindeloos worden voortgezet. Niet alleen zouden we dan de aandacht verliezen, we verlangen ook steeds naar het einde, naar de stilte. Het moet een keer klaar zijn. Totdat het, of iets, misschien opnieuw begint.
Ik weet niet hoe dieren de repetitieve elementen van hun bestaan ervaren. We zijn vaak te gemakkelijk geneigd ze een bewustzijn te ontzeggen, maar voor plezier, verdriet of inzicht heb je dat waarschijnlijk helemaal niet nodig. We kunnen niet in hun ziel kijken, net zomin als in die van onszelf, en als we oppervlakkig luisteren horen we weinig meer dan steeds hetzelfde geknor, geloei, gesnater en geblaat. Jan Hanlo schrijft in ‘De Mus’ (1949):

Tjielp tjielp — tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp — tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp
Tjielp
   etc.

Als ik ‘s morgens de mussen in mijn tuin beluister wanneer ze dankbaar mijn broodkruimels oppikken, hoor ik inderdaad niet veel anders dan vrolijk getjilp, waarbij ‘vrolijk’ al een dubieuze interpretatie is. Maar staat hun tekst gedrukt in een dichtbundel, dan luister ik met andere oren. Waarom zou hun taal geen poëzie mogen heten? En verschilt wat dichters doen eigenlijk wel wezenlijk van het gekwinkeleer der vogelen des hemels? Het ‘etc.’ laat echter zien dat Hanlo het na twintig keer wel genoeg vindt. Dier en mens vervelen elkaar algauw, uit wederzijds onbegrip. Een van de eigenzinnigste dichters uit ons taalgebied is F. van Dixhoorn (1948). In zijn bundels creëert hij structuren die aan minimal music herinneren, waarbij een patroon wordt neergelegd waarop vervolgens verschuivingen worden losgelaten. De flarden tekst lijken vrijwel betekenisloos, als toevallig opgevangen frasen die volgens al dan niet willekeurige principes bewerkingen ondergaan. Het is alsof je over een Zeeuwse landweg fietst en je concentreert op de afstanden tussen de populieren langs de sloten en vaarten — afstanden die nooit helemaal gelijk zijn, net zomin als de bomen elkaar exact reproduceren. Nergens ging Dix verder dan in het twee delen tellende gedicht *De zon in de pan (2012), waarvan de eerste helft zo begint:

om
de ene na
de andere
om

Tien lettergrepen, cyclisch geordend, waarbij de lezer een ommetje maakt van het ene ‘om’ naar het andere. De kringloop wordt verbeeld in de o van dat voorzetsel, dat zowel een ruimtelijke als een causale betekenis heeft. Wat gaat hier om? Bomen? Mensen? Seconden? In elk geval wordt er een existentiële waarheid verkondigd. Alles gaat voorbij, en alles blijft bij het oude. Denk ook aan de heilige mantra OM, en zie dat de letters waarmee de vier regels beginnen het woord oddo vormen, mogelijk een anagram van dood. Dat is al heel wat, maar het gaat verder. Op de pagina’s daarna gebeurt hetzelfde nóg vijftien keer, maar wordt er bij de oneven gevallen steeds een kleine opmerking toegevoegd, als een voice-over: ‘nog mooier’, ‘tekens na de’ en ‘want zo’n avond is het’, of er staat een cijfer boven als om aan te geven dat er een, voor de lezer ondoorgrondelijk, systeem wordt gevolgd. Het tweede deel van het gedicht biedt nog twaalf keer ‘om / de ene na / de andere / om’, maar daar wordt de regelmaat in toenemende mate verstoord door pagina’s waarop iets anders of helemaal niets staat. Ook worden de strofen, als ik ze zo mag noemen, aan het einde tussen haakjes gezet, als om de lezer voor te bereiden op hun aanstaande verdwijning. Een van de commentaren luidt:

telkens na de
4 . wat verandert
4 . als er niets verandert

Waarop een andere stem reageert:

bedoelde u
wat verandert
als er niets verandert

Het kost nog geen twee minuten om de twee reeksen door te lezen, maar dan doe je niet wat de tekst van je vraagt. Het geheel begint pas te werken als je de gedichten hardop reciteert, de ene reeks na de andere, en dan weer opnieuw, waarbij de klanken geleidelijk — nee, stap voor stap — als een mantra hun betekenis verliezen maar juist daardoor ervaarbaar maken wat het inhoudt een sterfelijk wezen te zijn, een voorbijgaand fenomeen in een discontinu heelal. Die gedachte, een cliché van de eerste orde, ligt ten grondslag aan alle beeldende kunst, muziek en literatuur, van Enheduanna (ca. 2285–2250 v.Chr.) tot Tekstielen (2025), het debuut van Sarah de Koning (*1992): ‘pas bij ochtend adem ik uit mijn rillende ziel een sterfte die de loef ophoudt in mijn hoofd, dat de mens een dwalend dier is, zeg je.’ Dwalend, zich en de anderen herhalend.

Herhaling kan een affectieve lading hebben. De klassieke retorica vertelt ons, maar eigenlijk wisten we het al, dat hevige emoties zich vaak uiten in herhalingsfiguren. Een repetitie geeft nadruk en brengt het voordeel met zich mee dat je op een moment van hevige innerlijke beroering niet in volzinnen hoeft te spreken maar met kreten kunt volstaan. Tegelijkertijd is de herhaling een bezwering. Wat je zegt wordt waar doordat het herhaald wordt, althans dat wil je geloven, of je wilt dat de ander dat gelooft. In het laatste geval kan de herhaling argwaan oproepen: als zij zo vaak roept dat wat ze zegt waar is, moet ik haar dan nog wel vertrouwen? In een beroemd sonnet uit 1610 vertelt Pieter Corneliszoon Hooft over een gelukzalige ervaring: ‘“Mijn lief, mijn lief, mijn lief.” Zo sprak mijn lief mij toe, / dewijl mijn lippen op haar lieve lipjes weidden.’ De woorden ‘vloeiden mijn oren in’, zegt hij, maar meteen slaat de twijfel toe. Heeft hij het wel goed gehoord? Meent ze echt wat ze zegt? Hij vraagt het meisje de woorden nog eens te herhalen, wat ze maar al te graag doet. Zodra echter de morgen aanbreekt, blijkt het minnekozen zich alleen in een droom te hebben afgespeeld. De dichter verzucht:

Hemelse goôn, hoe komt de schijn zo na aan ‘t wezen,
het leven droom, en droom het leven zo gelijk?

Het gedicht speelt met verdubbelingen. In de droom zegt het meisje iets wat ze niet meent, terwijl de droom zelf eveneens een vorm van bedrog is. Het woord ‘lief’ wordt viermaal herhaald, lippen weiden op lipjes, driemaal wordt een vorm van ‘klaar’ gebruikt (in de betekenis ‘helder’), de zon correspondeert met de ‘morgenstar’, de waarheid ‘verrijst’ als de zon. De polariteit van schijn en wezen ligt dus aan de basis van het sonnet, zoals het slot ook expliciteert. In de laatste regel omsluiten twee levens twee dromen, wat suggereert dat een illusie het hart van het bestaan uitmaakt. Dat het gedicht eindigt met ‘gelijk’ is weinig hoopgevend: alles blijft altijd gelijk omdat alles op elkaar lijkt, maar de gelijkenis is ook een schijnvertoning. Hoofts gedicht is een sonnet in de traditie van Petrarca. Het kent een vast metrum (zes jamben per vers) en een voorspelbaar rijmschema. Ben je als lezer aan dat stramien gewend, dan zit je vanaf de eerste regel te wachten op de invulling van de voor jou nog open plekken. Het zou hoogst frustrerend zijn als het systeem werd verstoord, als er lettergrepen ontbraken of de belofte van rijm niet werd ingelost. Misschien kennen we het predicaat ‘schoonheid’ bij voorkeur toe aan afgeronde objecten waarin alles lijkt te kloppen. De wereld is samengebald tot een overzichtelijk geheel zonder losse eindjes. De dichter is misschien op het verkeerde been gezet, hij heeft toch een mooie droom gehad, zoals ook wij ons herkennen in zijn erotische fantasie. Het gedicht als zilveren bol die de lezer spiegelt. Lees je een sonnet van Petrarca, dan kun je alleen maar bewondering hebben voor de virtuositeit waarmee hij inmiddels uitgekauwde thematiek tot een klinkende machinerie transformeert. Het dient echter ten stelligste afgeraden te worden alle 317 sonnetten achter elkaar te lezen, want dan word je knettergek. Schoonheid ontaardt in een steeds sneller wentelende draaimolen die tot misselijkheid leidt — of, als je een sterke maag hebt, tot verveling. Muzak in het winkelcentrum. André Rieu op het Vrijthof, voor de zoveelste keer.

Na de tweede keer ‘om / de ene na / de andere / om’ gelezen te hebben, begin je al te vermoeden dat er nog een derde keer kan komen. Drie is een mooi geheel: een stelling, een bevestiging, een afrondende conclusie. Volgt er nog een vierde element, dan weet je dat de reeks zich in beginsel eindeloos kan voortzetten. De herhaling wordt voorspelbaar, al besef je dat ze een keer zal ophouden. Van Dixhoorn bereidt de lezer op dat einde voor door in de tweede helft van zijn gedicht obstakels op te werpen. Je voelt aan dat je spoedig op je bestemming zult zijn, welke dat ook is. De meeste gedichten, maar het geldt natuurlijk ook voor muziek en film, werken echter met herhaling die niet voorspelbaar is. Je hebt herkenningspunten nodig om je te kunnen oriënteren, maar weet niet wanneer en in welke vorm ze zullen opduiken. In 1961 verscheen de revolutionaire lp free jazz. a collective improvisation van altsaxofonist Ornette Coleman, met een reproductie van een schilderij van Jackson Pollock op de hoes. Het dubbelkwartet wordt voortgestuwd door de twee drummers, maar wekt in eerste instantie de indruk een ongecoördineerd zootje te zijn, al hoor je de blazers wel op elkaar reageren door frasen te herhalen. Maar op gezette tijden bloeit er ineens een gezamenlijke melodielijn op die je, omdat je haar niet hoort aankomen, vol in het hart raakt, en wanneer vele minuten later hetzelfde thema gespeeld wordt, kun je je geluk niet op. Hoe komt dat? Zochten we in het grillige woud naar oriëntatiepunten? Realiseren we ons ineens dat de schijnbare chaos een vruchtbare bodem was waarin iets prachtigs kon ontkiemen? En horen we die schoonheid met terugwerkende kracht ook in de collectieve improvisatie? Voor Coleman en zijn kompanen had free jazz een politieke lading. Voor vrijheid heb je solidariteit nodig, die gevierd wordt door gezamenlijk een ritueel uit te voeren.

In Nachtatlas, de vorig jaar verschenen bundel van Peter Verhelst (*1962), wordt veel met herhalingen gewerkt, het meest obsessief in het elf pagina’s tellende gebed aan dood, waarvan de titel ontleend is aan het bekendste gedicht van Dylan Thomas: ‘Tegen het uitdoven van het licht’. Gebeden, bezweringen, toverformules, ze draaien allemaal om herhaling. Maar ook in de eerste afdeling van de bundel komen vaste elementen steeds terug, zo zijn er vijf gedichten die beginnen met ‘Ik was een kind en gooide me van de rots af’. De lezer kan echter niet voorspellen wat er op welk moment herhaald zal worden. Het enige wat we na de proloog mogen vermoeden, is dat de dichter denkt in termen van opeenvolging, want dat eerste gedicht spreekt al over ‘één keer’, ‘de laatste keer’, ‘de eerste keer’ en nogmaals ‘één keer’. Dat klinkt cyclisch, waarbij de voortgaande lijn zich tot cirkel kromt maar, als een spiraal, toch steeds een trede hoger komt te liggen. Of lager, natuurlijk. In een subliem, aan Hans Faverey herinnerend gedicht legt Verhelst de existentiële betekenis van herhaling bloot. Ik citeer het in zijn geheel:

Telkens opnieuw spreekt de rivier mijn naam uit,
overal tegelijk, waardoor die onverstaanbaar blijft.

Telkens opnieuw verschijnt mijn gezicht, de schok
van herkenning, terwijl onmiddellijk het vergeten begint
maar zich nog niet voltrekt.

Wat zal mij uiteindelijk het zwijgen opleggen?

Er is nog geen god,
zodra ik me van de rivier afwend ontstaat de god
die me zal vernietigen.

De rivier, misschien die van Herakleitos, spiegelt het gezicht van de spreker, niet in één doorgaande beweging, maar in een aaneenschakeling van identieke ogenblikken — telkens, telkens. Iedere keer wordt een schok van herkenning gevolgd door het begin van vergeten. Zolang je aan de oever blijft staan vindt het leven zijn voortgang, maar wend je je af, dan is het voorbij. Wie de goden, die buiten de tijd staan, wil ontmoeten, moet sterven. ¶

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en redacteur van De Gids. Zijn meest recente dichtbundel is Niets dan dit. Een lijflied voor de ziel (2023), die ook integraal gestreamd kan worden via de gebruikelijke kanalen.

Meer van deze auteur