Dit had het verslag van een ontdekkingsreis moeten worden. Ik had meer dan genoeg tijd gekregen en talloze ideeën om me in een andere wereld onder te dompelen. Maar in het hele afgelopen jaar was ik te uitgeput om die ideeën uit te voeren, veld­onderzoek te doen met alles wat daarbij komt kijken. Ik ging naar con­ferenties en workshops over polarisatie en las de literatuur, maar mijn stem klonk hol als ik probeerde om er iets over te schrijven. Ik had het recht niet, ik was niet genoeg geraakt en ik had niet de behoefte om iets te beweren. In plaats daarvan verzamelde ik fragmenten, momenten als gebroken stukjes glas. Nu, aan het einde van dat jaar, ben ik in een Franse stad die volledig uit steen gehouwen lijkt te zijn. Ik kwam hier om uit te rusten, mijn stem terug te vinden, kwam hier om me ergens van te ontdoen; om de ruis te verliezen die een vorm van uitputting is en die me ver­hindert om te horen, om te zien, om te schrijven. De oude muren van het huis waarin ik logeer zijn dik maar gehorig, de stenen poreus. Een kille noorden­wind trekt hard aan de luiken. Deze stad staat bekend om zijn theaters, maar die zijn nu dicht, afgeschermd met rolluiken of dikke houten platen: dit is geen tijd om te spelen. Ik houd mijn fragmenten tegen het licht, pas ze tegen elkaar aan; ik laat mijn vinger over de randen glijden om te zien waar ik me snijd. Dit is hoe schrijven werkt: je zoekt een eerste zin die waar is, waar genoeg om te blijven staan. Je vindt die zin misschien pas als het al bijna te laat is, als je echt niet anders meer kan. Ik kwam hier om een vreemde te zijn, maar de eerste zin die ik vind brengt me terug naar mijn eigen woonplaats.

Al van een afstand zie ik de politiewagen. Ernaast staan twee agenten en een verfomfaaide man, die half over zijn fiets buigt, er hangen plastic tassen aan het stuur.
‘Wat moet ik dan?’ schreeuwt hij. ‘Kunnen jullie me niet gewoon mee­nemen? Moet ik dan een bank overvallen of zo? Is dat de enige manier om hulp te krijgen, opgepakt te worden?’ Zijn stem klinkt rauw en hard.
‘Maar wij weten nu dat jij daaropuit bent,’ antwoordt de ene agent. ‘Dus de kans dat dat je lukt, is niet zo groot.’
‘Dat is dit kanker-Nederland,’ scheldt de man. ‘Dat koude kanker-Nederland.’
Ik loop door om hem privacy te geven, langs het bankje waar andere mannen zich altijd verzamelen om met elkaar te praten, de hele dag bier te drinken en vuur te stoken in een groot blik. Geregeld vervloek ik dat vuur, omdat het de toch al slechte lucht­kwaliteit er niet beter op maakt. Maar die ergernis houd ik voor me, het is een graadmeter van mijn eigen onrust. We groeten elkaar als ik hen passeer. Soms, wanneer ik me weer eens langs hen naar het station haast, vraag ik me af wat ze denken over zoveel zinloze stress. Ze zijn dol op mijn hond, hoewel hij de duiven verjaagt die zij brood voeren en die met tientallen tegelijk op hen af komen vliegen, hun vleugels stukjes licht boven het donkere wateroppervlak. ‘Dieren,’ zegt een van de mannen, terwijl hij mijn hond aait, ‘zijn veel betrouwbaarder dan mensen.’
Hij is al ouder, zoals de meeste mannen op het bankje, hun gezichten verweerd door de tijd en de hardheid van hun leven. Een aantal jaar geleden is een van hen gestorven, verdronken in de sloot direct achter het bankje, en lange tijd hing er een geïmproviseerd monument voor hem, dat het inmiddels begeven heeft. Er moet pijn schuilgaan achter zo’n ogenschijnlijk verloren leven. Toch lijken ze er, voor wie hen zoals ik alleen in het voorbijgaan ziet, geen moeite mee te hebben dat ze hun tijd hier buiten doorbrengen. Ze praten, wachten, lachen met elkaar. Ze begroeten oude vrienden die voorbijkomen en ook de tijd nemen om bij hen te blijven staan. Ze hebben eigen rituelen, met kerst hangen ze versieringen in de bosjes. Maar in de afgelopen maanden hebben zich jongere mannen bij hen gevoegd. Zij zijn feller, zijn onder invloed van iets anders, zijn soms helemaal van de wereld. Ze houden schijngevechten, trappen en schoppen naar elkaar; de een trekt een ander op schoot, doet alsof hij zijn keel doorsnijdt. Het is spel, maar niet van echt te onderscheiden.
‘Verken alle emoties, maar vermijd angst,’ zegt de docent in een acteertraining die ik volg. ‘Je gaat niet naar angst toe, want ernaartoe gaan maakt het groter en dat loopt bij angst al snel gigantisch uit de hand. Onder angst valt ook nervositeit, en twijfel en niet zeker weten en hopen. Je hoopt niet. Je bent acteur en dat betekent dat je doet. Wat je doet zal het verschil maken, je zorgt dat het gebeurt.’
Ik ben niet goed in doen, ik ben beter in denken. Het lukt me zelden om erop te vertrouwen dat wat ik doe een verschil zal maken. Hoe komt het dat iemand handelt, doet wat nodig is? Dat iemand anders, ik bijvoorbeeld, passiever blijf dan ik zou willen, passiever dan in deze tijd gerechtvaardigd is?
Binnen korte tijd hoor ik twee verschillende studenten vertellen over Extinction Rebellion-protesten, waarbij ze door de politie zijn geslagen, aan hun nek van het asfalt getrokken, hardhandig weggevoerd. ‘Tot dat moment,’ zegt een van hen, ‘geloofde ik in de politie, maar nu weet ik hoe weinig onze rechtsstaat waard is, dat dat woord niets betekent.’ Ze willen het niet te groot maken, benoemen de bevoorrechte positie die hun witte huid en blonde haren juist in dit soort situaties geven. Maar als ze over de politie praten, zijn hun ogen groot van angst.
Ik schaamde me toen ik naar hen luisterde. Schaamde me omdat ik ouder ben en als docent geacht word om hun iets te kunnen leren, maar zelf nooit, zoals zij, mijn lichaam in de strijd geworpen had voor iets waarin ik geloofde. In de strijd geworpen? Nee: blootgesteld had. Bewust blootgesteld had aan de mogelijkheid van geweld, de gewelddadige handen van anderen. Er zijn, misschien, verontschuldigingen; er zijn in elk geval verklaringen. Mijn leven heeft sowieso veel te weinig vaste grond; ik weet hoe het is om vermorzeld te worden en wat het betekent als je je vrijheid verliest, ik heb al te veel ervaring met gewelddadige handen. Al die woorden zijn waar, maar ze zijn weinig waard.
‘De zeventiende eeuw was het tijdperk van de wiskunde, de achttiende die van de natuurwetenschappen, de negentiende die van de biologie, maar de twintigste eeuw is de eeuw van de angst,’ schreef Camus in 1946, net na de Tweede Wereldoorlog. Als angst al geen wetenschap is, ging hij verder, dan is het zeker een methode. De net gewonnen oorlog stemde hem niet optimistisch; wat hem zorgen baarde was de angst en wat die met de wereld deed. Camus zag een tijd zonder toekomst, zonder mogelijkheid tot vooruitgang, een tijd waarin de mens met zijn rug tegen de muur stond. Dat was niet voor het eerst, maar het verschil was dat mensen nu niet meer met elkaar praatten. Je kon er niet meer op vertrouwen dat je aan een ander mens een menselijke reactie kon ontlokken als je hem aansprak in de taal van de menselijkheid. De nieuwe wereld was een wereld van abstracties, van bureaus en machines, van absolute ideeën en messianisme zonder enige nuance. De lange dialoog tussen mensen was ten einde gekomen en nu was het stil.
Ben je bereid om te doden? vraagt Camus. Ben je bereid om gedood te worden?

Het beroemdste verhaal over de bereidheid om gedood te worden is het Nieuwe Testament. Het beroemdste verhaal over de bereidheid om te doden is misschien Genesis 22, waarin God Abraham opdraagt om zijn zoon Isaak te offeren. Uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt — zo staat het er. Abraham staat ‘s ochtends vroeg op en zadelt zijn ezel en neemt brandhout mee voor het offer. Je kunt je voorstellen hoe hij in het donker zijn zoon wekt, het kind nog loom en warm en slaperig; hoe hij Isaak op de ezel laat rijden. Wat je je niet kunt voorstellen is wat de man denkt, wat hij voelt in de drie lange dagen waarin ze daar naast elkaar lopen om bij de aangewezen plek te komen; hoe het hem lukt om zijn zoon te zien en toch de ene voet voor de andere te zetten en om dat steeds opnieuw te blijven doen. Hoe het hem lukt om, eenmaal op die plek in de bergen, Isaak te antwoorden als die vraagt waar het lam voor het offer is; hoe het kan dat zijn stem gewoon werkt en hij ook maar een woord uitbrengt. En dat hij dan zijn handen weet te bevelen om zijn enige zoon, het onverwachte wonderkind, die zoon van wie hij houdt, vast te binden en boven op de brandstapel te plaatsen en het mes te grijpen en te heffen en naar de hals van het kind te brengen.
Dit verhaal loopt goed af. Op het laatste moment, als God gezien heeft dat Abraham bereid is zijn kind te offeren, roept een engel dat hij er niet mee door moet gaan. Plotseling is er een ram in de struiken om Isaaks plaats in te nemen en er klinken lovende woorden en grote beloftes over een gezegende toekomst en iedereen gaat gelukkig samen naar huis.
Maar het punt is dat het ook anders had kunnen gaan. Dat Abraham, op het moment dat hij zijn arm hief om zijn zoon de keel door te snijden, niet wist dat iemand hem stoppen zou. Dat hij drie dagen lang doodsbang moet zijn geweest, dat hij tot op dat allerlaatste moment dacht dat hij zijn zoon en zichzelf zou vernietigen; en dat hij desondanks doorging.
In een workshop die ik geef, werkt iemand met dit Bijbelverhaal. Het is zijn eigen idee, hij is gefascineerd door de kracht van het geloof, het enorme vertrouwen dat Abraham voortstuwt. Die woorden gebruikt hij als hij het verhaal analyseert, abstract en academisch. Dan vraag ik hem om in zijn verbeelding zelf de reis te maken en zich voor te stellen wat hij ruikt en hoort en ziet terwijl hij de berg op loopt en de hand van zijn eigen kind vasthoudt. Dat, zegt hij beduusd, verandert alles.
Angst is wel gedefinieerd als de uitkomst van een interactie waarbij je aan een ander onderworpen bent die groter is dan jij. Zoals Isaak dat is in het verhaal; zoals, misschien, ook Abraham dat is. Zoals ik dat zelf in de bergen meerdere keren ben geweest, plotseling verlamd door de gedachte dat ik de helling die ik zojuist had beklommen ook weer zou moeten afdalen. Er was geen reden voor die angst, niet echt. Ik was getraind en fit genoeg, ik had de juiste schoenen. Wat ik niet had was vertrouwen in mijn lichaam. Wat ik niet had was het vermogen om mijn gedachtes te beheersen. Ik kon geen halt toeroepen aan mijn verbeelding die ervan overtuigd was dat ik dit niet kon en überhaupt niets kon; dat de volgende stap het begin van mijn val zou zijn en dat ik in die val geen enkel houvast had, dat ik eindeloos naar beneden zou rollen op die steile, rotsachtige, ijzige helling; dat iedere volgende stap alleen maar in mijn dood kon eindigen.

Ik ben weleens bij een demonstratie geweest. Ik heb zelfs weleens gevoeld hoe bemoedigend het kan zijn om zoveel anderen te zien die ook geven om dat wat er in mijn ogen toe doet, dat wat in het alledaagse leven doorgaans doodgezwegen wordt, verborgen onder andere, veel trivialere zaken. Maar dat gevoel van bemoediging en saamhorigheid beperkt zich tot vlak voor het moment dat het echte protest begint. Zodra er een menigte ontstaat en er leuzen worden geroepen, kan ik mezelf alleen nog maar van grote afstand bekijken. Ik loop daar wel maar doe niet echt meer mee. Denk te veel na over de woorden die worden gescandeerd, mompel de leuzen onhoorbaar, zoals ik zou doen in een kerkdienst met zinnen waar ik niet in geloof. Daar lopen, die zinnen herhalen, verraadt iets fundamenteels in mijzelf, zelfs als ik volledig achter het doel van het protest sta. Dat fundamentele is de schrijver, degene die niet doet maar kijkt, die per definitie geen deel uitmaakt van een massa. Die per definitie geen deel uitmaakt. ‘Laat degenen die dat willen de wereld maar redden,’ schreef Hemingway, die veel fouten had maar moeilijk van lafheid kan worden beschuldigd. Voor de schrijver, vond hij, is het belangrijker om te zien en te horen, te leren en te begrijpen en het op te schrijven wanneer je iets weet, en niet eerder, en niet al te lang daarna.
Als schrijver kan ik het daar misschien mee eens zijn. Maar de politicoloog die ik ook ben, weet dat het anders zit: protest doet ertoe en ik zou daar moeten staan. Het maakt niet uit of ik bang ben van menigtes, of dat ik me niet altijd kan vinden in wat er wordt geroepen.
Na een lezing over getallen vroeg iemand me naar het percentage mensen dat nodig is om een maatschappelijke omslag teweeg te brengen. Ik wist het antwoord niet, wist zelfs niet of er zoiets bestond, maar beloofde om het op te zoeken. De kritische massa is een begrip uit de natuurwetenschappen. Oorspronkelijk duidt het de minimale hoeveelheid splijtbaar materiaal aan die nodig is om een nucleaire kettingreactie in stand te houden. Van daaruit reisde het idee naar de sociale wetenschappen waar het, zoals dat wel vaker gebeurt, aanzienlijk minder eenduidig werd. Het gedrag van mensen is nu eenmaal chaotisch en moeilijk in wetten vast te leggen. Maar er zijn twee getallen die steeds opnieuw terugkeren. Experimenteel onderzoek suggereert dat 25 procent van een groep genoeg is om de norm in een groep te veranderen, te doen verschuiven wat wel of juist niet als acceptabel gedrag wordt gezien. Gedrag is weliswaar niet per se hetzelfde als dat wat mensen denken of geloven, maar de persberichten klinken hoopvol. Het onderzoek suggereert dat een relatief kleine minderheid ervoor kan zorgen dat een groep zich socialer gaat gedragen. Wat niet wordt benoemd is dat hetzelfde effect ook omgekeerd kan optreden, dat een minderheid in staat is om verharding en vijandigheid te bewerkstelligen. Het andere getal is nog kleiner. Voorbeelden uit de geschiedenis tonen consequent dat er politieke verandering volgt als het lukt om 3,5 procent van de bevolking te mobiliseren in vreedzaam protest. Dat laatste onderzoek, van Erica Chenoweth, was jaren geleden al een belangrijke inspiratiebron voor Extinction Rebellion. Je moet, schreef een van de oprichters, de wet overtreden om aandacht te krijgen. Je moet altijd respectvol blijven naar de politie, naar het publiek en jezelf. Je moet bereid zijn een offer te brengen, gearresteerd te worden en naar de gevangenis te moeten voordat je serieus genomen wordt.
Het probleem met beide cijfers is dat je niet zeker weet of de grens bereikt wordt. De kans is groot dat je lang daarvoor ontmoedigd raakt en opgeeft; misschien wel, zonder het te weten, vlak voordat dat cruciale omslagpunt gehaald wordt. Het probleem is dat je tot op het allerlaatste moment niet weet of het goed af zal lopen en desondanks door moet gaan.

Wie moedig handelt zonder angst te voelen is niet zozeer dapper als wel roekeloos, zoals er ook mensen zijn die niet in staat zijn pijn te voelen en zich daardoor keer op keer verwonden. Hemingway was het toonbeeld van klassieke mannelijkheid, de macho die zich vrijwillig in een oorlog stortte en levensgevaarlijk gewond raakte. Maar je kunt je afvragen of hij niet vooral doodsbang was om een lafaard te zijn, of hij de dood opzocht omdat rustiger leven voor hem veel angstaanjagender was.
De keren dat ik verlamd van angst in de bergen stond en niet in staat was om verder te gaan, heb ik geprobeerd me te vermannen, met strenge woorden tot de orde te roepen. Maar zeggen dat ik me niet aan moest stellen, bracht niet in beweging wat bevroren was. Wat dat wel deed, wat uiteindelijk veel meer hielp, was de fysieke aanwezigheid van een ander. Letterlijk: een uitgestoken hand, een steuntje in de rug. Ik had een ander nodig, niet om op te leunen, maar om weer te kunnen voelen waar ik zelf was, wat mijn eigen lichaam kon. Het tegenovergestelde van angst is niet moed maar vertrouwen. Het vertrouwen dat er iemand naast je staat, dat je val gebroken wordt, dat er iets is wat je opvangt. Zoals in die overbekende theateroefening waarbij je in een dichte kring om iemand heen staat die zich met gesloten ogen laat vallen. Vaak genoeg heb ik in zo’n kring gestaan en met bewondering gekeken naar degene in het middelpunt, maar nog nooit heb ik me zelf laten vallen. De training die ik nu volg gaat over acteren, maar over meer dan dat. Waarachtig handelen onder verbeelde omstandigheden is het tegenovergestelde van doen alsof: het vereist juist dat je je van elk masker ontdoet. Het lichaam maakt geen onderscheid tussen echte ervaring en verbeelding. ‘Spreek de waarheid,’ coacht de docent elke les talloze keren. ‘Kom voor jezelf op. Je hebt het volste recht.’ Maar het is al niet eenvoudig om de waarheid te voelen. Er is dat wat iemand zegt over zijn of haar eigen emoties, het sociale gedrag, de gepolijste glimlach, en dan is er dat wat het lichaam laat zien. Vaak is dat iets totaal anders, iets waarvan de spreker zich zelf niet bewust lijkt te zijn. ‘Wees een getuige,’ zegt de docent. ‘Je kunt de ander niet helpen, maar je kunt oprecht nieuwsgierig zijn naar wat er met hem aan de hand is. Je bent getuige van dat wat er gebeurt en dat is meer dan genoeg.’

Nu, in de Franse stad, is het eerste kerstdag en de straten zijn leeg. De mensen die buiten lopen, lijken onthand en doelloos nu de winkels gesloten zijn en ik ben net zo doelloos als zij. Ik probeer de stad te verkennen en niet te denken aan waar ik op deze dag ook zou kunnen zijn, maar dat is moeilijk doordat de luidsprekers onophoudelijk krakerige kerstliedjes uitbraken. Dan, in een van de grotere winkelstraten, zie ik een man in een trenchcoat, te koud voor dit weer. Hij valt me op omdat hij voorovergebogen staat en voorovergebogen blijft staan, zijn beweging stokt zo lang dat het lijkt alsof hij een voorstelling geeft. Hij is het eerste wat me hier echt interesseert en ook ik blijf staan en wacht. Heel lang gebeurt er niets. Dan hurkt hij, beweegt zijn hand in een soort cirkels over het trottoir. Eerst denk ik dat hij iets opraapt, dan, als hij blijft zitten, dat hij iets tekent, een boodschap achterlaat. Maar als hij uiteindelijk moeizaam opstaat en wegloopt is er niets op de stenen geschreven.
Ik blijf zitten, kijk.
Er zijn hier meer daklozen. Verderop drinkt een man bier, zijn fles glinstert groen in de zon. Een kromgebogen oudere heer scharrelt voorbij, zwaar leunend op zijn stok. Hij heeft een doorzichtige plastic zak waarin hij dingen stopt die hij van straat heeft opgeraapt. Sommige dingen neemt hij mee en andere laat hij vallen, maar toch lijkt de hele zak met rotzooi gevuld. Ondertussen dreint de kerstmuziek verder. Om de bierdrinker heen hebben zich mannen verzameld, ze maken zich klein in hun jas tegen de kou. Als ik weer naar hen kijk, staan er twee mensen bij hen, een man en een vrouw met rendierdiademen op en vuilniszakken in hun hand. Uit de vuilniszakken halen ze cadeautjes, mooi ingepakt in rood-wit gestreept papier, die ze aan de mannen geven. Ze blijven daar een hele tijd staan praten en lachen; de vrouw doet een dansje. Hun aanwezigheid heeft iets in de mannen veranderd. Ze staan nu rechter, ze nemen ruimte in, hun gezichten zijn beweeglijker dan eerder. Het is alsof ze opnieuw tot leven zijn gewekt.
Een vrouw die ik ken, die haar leven wijdt aan het helpen van mannen zoals deze, plaatste onlangs een bericht op LinkedIn. Ze probeerde, schreef ze, te begrijpen wat de mensen bezielde die stemden op partijen die niets om barmhartigheid gaven. Het was geen statement, maar een oprechte vraag. Na een tijdje plaatste ze een tweede bericht. Ze had, schreef ze, precies dezelfde vergissing gemaakt als jaren eerder. Toen vreesde ze de mannen die ze in de afgelopen jaren door haar werk heeft leren kennen en waarderen. Nu was ze bang van degenen die stemden op partijen die deze mensen het land uit willen zetten, alle hulp aan hen strafbaar willen maken. De fout was in beide gevallen dezelfde: ze had een grote verzameling individuen uitsluitend als groep gezien. Dat besefte ze pas toen ze na haar oproep in gesprek geraakt was met iemand aan het andere eind van het politieke spectrum en zag dat diegene zelf machteloos was en het maar nauwelijks redde, dat er naar haar bijna nooit werd geluisterd. Er ging grote angst schuil onder dat wat van een afstand alleen woede leek te zijn.
Politici en anderen die angst inzetten als methode willen dit soort gesprekken onmogelijk maken, elke beweging verlammen, elke handreiking zinloos doen lijken. Ze vergroten de kloof tussen ‘wij’ en ‘zij’, brengen de ander desnoods door bedreiging tot zwijgen. Het is moeilijk om welke waarheid dan ook te spreken wanneer die met haat wordt beantwoord. ‘Ik herinner me dat ik lachte om het eerste dreigement dat ik ontving,’ schrijft een journalist. ‘Het was zo banaal, het waren zulke overduidelijke leugens. […] Na een aantal maanden kwam er een doodsbedreiging die zo kil was en op zo’n nare manier verwoord dat ik echt bang werd, en daarna was het moeilijk om te stoppen met bang zijn. Alsof er iets in mij verschoven was.’ Angst kan, net als woede, een logische reactie op een prikkel zijn. Maar het kan ook een permanente toestand worden, de grondtoon van een bestaan: een stilvallen.
Vooraf had ik me voorgenomen om hier dagelijks te dagdromen, een opdracht van de acteertraining. Dat is lichamelijker dan het klinkt. Het gaat erom dat je je eigen verbeelding verkent, gevoel gekoppeld aan beweging, dat je uitvindt wat je tot leven brengt: een ontdekkingsreis. Maar het lukt me niet om eraan te beginnen en dat is ironisch voor iemand die van verbeelding haar vak heeft gemaakt. Zonder personages ben ik niet vrij genoeg, ik mis het vertrouwen dat ik wat dan ook zal vinden. Ik ben, misschien, te bang voor wat ik vinden zal.
Dagenlang vermijd ik de opdracht, ik verdoof mezelf met afleiding, tot het lukt om naar buiten te gaan.
Boven de koude stad schijnt de zon en op het plein zit een levend standbeeld roerloos te wachten op toeristen. Het is een kleine man met een bril en een pet op, van top tot teen zilver gespoten. Een meisje passeert met haar moeder, net wanneer hij plotseling van zijn kruk opstaat. Ze schrikt van de abrupte beweging, ze schreeuwt van angst. Kan later, eenmaal op veilige afstand en haar hand stevig in die van haar moeder, niet stoppen met omkijken. Ze is nog altijd bang, ze lacht. ¶

Wytske Versteeg (1983) schrijft romans en non-fictie. Haar werk is vertaald in acht talen en werd bekroond met onder meer de BNG Bank Literatuurprijs en de Frans Kellendonkprijs. Haar meest recente roman is Het gouden uur (2022). Onlangs verscheen haar nieuwe non-fictieboek Waar, over de kunst van het (niet) weten. Dit essay is het vijfde in de reeks ‘Polarisatie, oorlog en samenleven’ en kwam mede tot stand met financiële steun van Stichting Lira Fonds.
 

Meer van deze auteur