Redactioneel
Om te snappen waar ik ben, bekijk ik De Tuinen van de Egel als een knoop in een kluwen aan verschillende tijden en ritmes. Er is bijvoorbeeld een uur waarin de tijd en de snelheid de toon zetten, waarin het onkruid groeit, de bleekgroene blaadjes steken pas een paar dagen boven de aarde uit, en in dat uur sta ik met een lange schoffel het net begonnen leven van de lichtgroene plantjes te vernietigen. Ook die bezigheid heeft een eigen orde, die zich in de tijd ontvouwt.
Ik beweeg gestaag vooruit, tussen de kroppen lollo rosso en de venkelknollen.
Ik neem me voor om in ieder geval het veld met sla en venkel te doen.
Otto Koedijk, de zoon van een aardappelboer in West-Friesland, is zijn hele leven al een voorvechter van biologische tuinbouw; inmiddels is hij een kenner.
Hij staat te kijken en zegt dat ik het op de manier waarop ik het doe niet zo lang zal volhouden. Hij weet hoeveel tijd het kost om een oppervlak als van deze tuin te wieden, hoeveel het van je rug en je schouders vraagt, hoeveel het uitmaakt of je in zandgrond of in kleigrond wiedt. Hoe diep de wortels gaan van de verschillende gewassen die zich met je groenten komen bemoeien. Hoeveel extra belasting een verkeerde houding en een gehoekte beweging geven en dat die dus vermoeidheid en slijtage versnellen.
Ik had al zo’n vermoeden. Ik doe dit zonder het juiste ritme, mijn handelingen sporen niet met de tijdruimte van de tuin, de sla en het onkruid, de kalme doelgerichtheid van het tuinieren. Mijn schouders staan hoog en gespannen, mijn bewegingen zijn kort en schokkerig, en vooral: bijna iedere uithaal is anders, mijn armen en polsen steeds net weer in een andere stand. Onrustig dus, met te veel kracht, een krampachtige verspilling van energie. Als ik vloeiender, regelmatiger zou bewegen is het makkelijk te ontspannen, kan ik beter kijken, hou ik het langer vol, en misschien maak ik dan ook minder fouten. In mijn onhandige ijver heb ik met mijn schoffel al twee slaplantjes beschadigd. Ik spreek mezelf toe, laat de schouders zakken, probeer met mijn armen langere bewegingen te maken, mijn greep op de houten steel te verzachten.
Otto komt uit een andere tijdruimte, in meerdere opzichten. Ik heb hem een paar weken geleden een middag gezien, voor het eerst sinds de zomer van 1976, nadat we eindexamen hadden gedaan. Nu is hij mee naar De Tuinen van de Egel in Gorssel, niet ver van waar hij al zo’n dertig jaar woont en leeft, Brummen. Hij is houtdraaier en maakt schalen, ballen, hamers en puzzels van bomen die gekapt moeten worden of zelf afsterven. Toen we samen op school de Georgica van Vergilius vertaalden, het leerdicht over het boerenbedrijf, en spraken over deze lofzang op dieren, planten, de aarde, rivieren, de wind, de wolken en de bliksem, noemde hij zich een homo sylvestris, een bosmens, en klom soms in bomen om er gewoon urenlang te zijn, in het gezelschap van vrienden. Nu ziet hij mij goedbedoelend maar onhandig schoffelen in een tijdruimte die hij vanbinnen en vanbuiten kent, waarin hij is opgegroeid net als zijn vader, opa en oma, en al zijn oudooms en -tantes, en hij ziet hoe mijn handelingen daarmee vloeken. Ik ben een jongen uit een rijtjeshuis in een jarenzestigbuitenwijk, ik voetbalde op braakliggend bouwland, struinde langs de ruïnes van onteigende boerderijen.
Vijf jaar geleden zijn Amsterdamse idealisten dit regeneratieve tuinbouwbedrijf in Gelderland begonnen. Ze namen het land over van mensen die onder andere aardbeien kweekten. Om het grondoppervlak maximaal te benutten lieten ze de aardbeien niet in de aarde maar in plastic potten groeien, die vijf verdiepingen hoog in stalen rekken hingen. De potten sneuvelden bij het ruw verwijderen van de uitgeputte plantjes. In de bodem, tussen de biodynamische worteltjes, zwerven nog altijd splinters van die potten. Zo raken ze in elkaar verstrikt, de snelle cyclus van de supermarktaardbei en de lange jaren (met ieder jaar weer vier seizoenen) die het bodemleven hier nodig heeft om te herstellen.
Even verderop staan de kersenboomgaarden die zijn voorbestemd om te verwilderen, zoals de helft van het grondgebied van de Egeltuinen. Dat hoort bij het ideaal van de stichters. Met Otto, Kyrke en Piet dwaal ik ertussendoor. We zijn stil, er hangt een onheilspellende sfeer tussen de dicht op elkaar geplante bomen die onder de droogte lijden. Misschien doen in de toekomst de bodem en de vogels, de bomen en de kruiden hier een nieuwe pracht en overdaad ontstaan. Nu staan we in een kersenboomgaard in onttakeling, in ontbinding. Als cultuurlandschap klopt dit niet, er is iets helemaal mis. Het tijdpad dat leidde van een veld jonge aanplant tot een boomgaard die ieder jaar wagens vol vruchten en forse winst leverde is abrupt tot stilstand gekomen. Een stabiele biotoop of een voedselbos is hier nog lang niet. Onze waarneming is zo kort en vluchtig dat we niet kunnen zien wat hier gebeurt. We ervaren nu alleen het verval dat noodzakelijk is voor een lente die we ons nog niet kunnen voorstellen. Het is een sinister besef dat hier nog zoveel dood moet om ruimte te maken voor een nieuw evenwicht.
Otto bedenkt dat we scharen of messen moeten vragen om de rubberen banden weg te halen die de doorgroeiende kersenbomen aan het wurgen zijn. Ze zijn er ooit aan bevestigd om de jonge bomen aan een paal houvast te geven. Dat doen we en zigzaggend van rij naar rij verzamelen we handenvol aan zwart rubberen slierten. Nee, ook als we onze adem inhouden horen we geen zuchten van verlichting opstijgen tussen de bomen, we zitten niet op hun golflengte. We zijn het Bomenbevrijdingsfront, zegt Otto met een brede grijns, maar ook onze actie om ruim baan te maken voor de levenskracht van de bomen doet de verwarring en vervreemding die ik voel niet verdwijnen. Ik ben gehypnotiseerd door het besef van een stille catastrofe die zich traag voltrekt tussen boomgaard en voedselbos. Misschien is dit mijn minuscule versie van de onuitgesproken angst die de omwonende, conventionele boeren voelen, als ze kijken naar de wonderlijke gedragingen en keuzes van de eigenaren en bewerkers van De Tuinen van de Egel.
David, Dido en Maxim vertellen over de leningen waarmee ze het land kochten, hun tuinbouwbedrijfje draaiende houden en die ook deels hun levensonderhoud betalen, en ik denk aan de abstracte maar even onverbiddelijke tijdsordes van de financiële en juridische werkelijkheid waarin De Tuinen van de Egel bestaan. Leningen hebben een looptijd, er is steeds een volgende ronde nieuwe investeerders en donateurs nodig. Hoeveel van die rondes zijn er nodig voordat de kersenboomgaard een bos is? Ondertussen stijgen er geuren en rookwolken op uit de schaftkeet op wielen waarin Darja groenten roostert voor de warme lunch.
Na afloop slenteren we door de kassen, de verwilderende tuin met bessenstruiken en pruimenbomen. Geen idee waarom hier een uitkijktoren staat, maar het is heerlijk om erin te klimmen. Hij geeft zicht op het omringende land: de rivier, de wegen met de bomen erlangs, de geometrische akkers, de wilde oase daartussen die De Tuinen van de Egel zijn. De zon zet alles in een cinematisch traag licht, en weer beneden waan ik me in een toekomstige documentaire die in een halfuur twintig jaar samenvat. Ik kijk om me heen en zie David de door hem aangelegde elektronica aanwijzen die voor de irrigatie van de ontkiemende plantjes in de kas zorgt. Dido vertelt over een leven van een paar dagen in de stad, een paar dagen hier. Haar glimlach vertelt dat haar dat uitstekend bevalt. Maxim heeft het over zijn import en groothandelsbedrijf om biologisch voedsel buiten supermarkten om te verspreiden. Zijn ogen stralen.
Ik stel de vraag niet maar denk: hoe is het over tien jaar in De Tuinen van de Egel? Ik denk aan de tijdsorde van een mensenleven, over de vragen die met het verstrijken van de jaren steeds nadrukkelijker een antwoord eisen: waar zullen kinderen aarden, waar naar school gaan? Hoe zal het gaan met partners en de opbouw van reserves voor jaren van ouderdom en tegenslag, met de zorg voor hulpbehoevende ouders? Vragen over nog niet verwerkelijkte verlangens naar meer kennis, naar reizen, ander werk en stedelijk leven.
Otto vraagt de mensen van de Egeltuin hoe hun relatie met de omringende boeren is. Er is weinig contact en het beste zijn ze nog met de mensen die eerst kwamen klagen over de heggen die ze wilden neerzetten op de erfgrens. Otto vertelt dat in de afgelopen twintig jaar bijna de helft van de boeren in en rond Brummen is gaan meedoen aan een traject om duurzamer te werken. Of de mensen van de Egeltuin dat wisten. Nee, dat wisten ze niet. Otto vertelt over de stichting waar hij in zit. Die heeft grond in eigendom en die grond wordt alleen verpacht aan biologische of biodynamische boeren. Hij heeft niet meer de helblonde, krullende haren tot op de schouders van vijftig jaar geleden, maar hij staat daar als dezelfde als toen ik met hem en twee anderen op een junidag bij zonsopkomst bij wijze van eindexamenstunt midden op het schoolplein van de scholengemeenschap tegels lichtte en een bijna twee meter hoge eik plantte.
Otto en ik hebben vijftig jaar geen contact gehad en dus nemen we elkaar waar als schooljongens die dankzij een tijdreis naar 2026 zijn geparachuteerd. Hier in De Tuinen van de Egel gaat het om hetzelfde als toen. Dat is een duizelingwekkende gedachte. Zo goed als alles is veranderd en tegelijkertijd ook van alles niet. Hij is iemand die onverstoorbaar alles met beide handen aanpakt wat zich voor hem als mooi, gelukkig, levensbevorderend feit aandient; hij gaat ermee aan de slag en vertelt er graag over. De rest negeert hij. Straks fietst hij van Gorssel weer terug naar Brummen en maakt een salade. Ik sta naast hem en zie hem praten met David en Dido en Maxim. In mijn ogen belichaamt hij een onverstoorbare eeuwigheid in de gedaante van een sterfelijk mens. Een mens die koppig, geduldig en zachtaardig de levende natuur vertegenwoordigt in de onvriendelijke, onwetende mensenwereld. Dat is een kinderlijke en vreemde gedachte, die vooral aantoont dat ik bij lange na niet alles begrijp van wat hier gebeurt. ¶
Poëzie
De tuinen
Essay
Scheppen in autonome grond
Poëzie
Gedichten
Essay
Mozaïek en kiemcel
Verhaal
Gedeelde grond
Poëzie
Oden in de spooktuin
Essay
Verlangen naar gezamenlijkheid
Poëzie
Hagen
Poëzie
Missa botanica
Beeld
Garden
Verhaal
Zusterstemmen
Essay
Albidas
Verhaal
Onderverlicht
Poëzie
Stillevens
Essay
De zwijgzame vulkaan
Poëzie
Naar het noorden
Stripverhaal
Closed due to weather
Beeld
Oproep van de tuinders
Beeld