Elke schrijver (m/v/o) stelt zich de vraag. Niet bij inlevering natuurlijk; dan is er maar één antwoord. En ook niet bij de eerste recensies (g/s/m): bijbladen, magazines, ze zijn er ‘omdat er plaats is’. Maar wel bij de eerste keer dat hij zichzelf herleest en dat is al snel. Had het beter gekund?
Elke schrijver? Ik vraag het Connie Palmen. Op een van die vele vernissages die de hoofdstad kent, het lege ritueel van een boekpresentatie. Zij ontkent, al haar boeken zijn volmaakt. Zij: vermoeid, koppig. Ik: sceptisch, jaloers.
Toch: had In alles ben ik groot, mijn boek over Michaël Zeeman, mijn vriend, mijn schelm, beter gekund? Connie is het aan het lezen. ‘Goed geschreven,’ murmelt ze van diep beneden onze grote rivieren. Het voelt als een kleine benedictie.
Ken ik volmaakte boeken? Ik ken een (groot) aantal volmaakte gedichten, ze zijn mijn canon, ze helpen me de dag door. Ik prevel ze bij voor- en tegenspoed, bij herkenning en vervreemding. Ook wanneer ik in de auto zat met Michaël: ik de mijne, hij de zijne, urenlang.
‘Böhmen liegt am Meer’ bijvoorbeeld, van Ingeborg Bachmann. Waar een land zonder kust gekust wordt door de zee, waar zwerven thuiskomen is en te gronde gaan houvast vinden. ‘Von Grund auf weiß ich jetzt, und ich bin unverloren.’
‘Onverloren’, wat een volmaakt woord. Zo kende Michaël ‘onvertrokken’ in zijn laatste gedicht over het wad: ‘Als het er mist of als / alle lichten zijn gedoofd / loop ik over de rand van mijn hoofd — loop / ik terug, onvertrokken.’
Het eerste wat ik schreef van In alles ben ik groot ging over zijn poëzie. In zijn gedichten zou ik hem vinden. En ik vond hem in negatieve adjectieven. Onuitwisbaar, onontwarbaar, onherstelbaar. Onvindbaar, onbereikbaar, ongrijpbaar. Onaanzienlijk, onaandoenlijk, onleesbaar. En, inderdaad, onvertrokken.
Niet, nooit, nee: on. In deze poëzie is iemand iets definitief kwijt, hier wordt een levensgroot tekort opgeroepen, een levenslange eenzaamheid onder woorden gebracht. Ongrijpbaar het woord, onvindbaar de betekenis, onbereikbaar de geliefde.
En toch, de stof van een paar volmaakte gedichten. ‘Misericordia’ bijvoorbeeld.

Dit uitzicht: dat een blinde
spiegel jou de weg verspert.
Dat je kunt praten wat je wilt,
en niemand ooit hoort wat je zegt.

Als libellen, als de sterren:
als de nacht valt en zij de lucht
ontsteken in schitterende seinen
ontwijken zij elkaar en vluchten.

Een stad vol woorden die ketsen
op de stenen, allemaal in het gelid,
van stokstijve letters, stil bericht,
van wat jou pratend werd onthouden.

Nooit zal ik mij bevrijden
van die vreemde pijn; dat ik
tekort schiet door mijn taal,
dat ik jouw ogen niet kan raken.

Het gedicht vond een plek bij de ingang van de Nieuwe Kerk in Leeuwarden, in steen gehouwen. Zo zijn er volmaakte schilderijen, beeldhouwwerken, muziekstukken.  Je zoekt ze op in kerken, musea en muziekzalen. Steeds weer dezelfde, in de hoop er nieuwe aan toe te kunnen voegen. Die voorraad is in mijn leven vrijwel het enige wat groeit. Dat ‘herlezen’ was een van de sterke banden in onze vriendschap. Waren we in Wenen (daar spraken we, toen hij in Rome woonde, vaak af, ‘tussenin’) en bezochten we het Kunsthistorisch Museum, dan beende hij meteen naar een portret geschilderd door Lorenzo Lotto. Blindelings kon hij het terugvinden, ‘links naast de doorgang van de ene zaal naar de andere, op zo’n overgeschoten stukje wand tussen de deur en de buitenmuur met geblindeerde ramen’, daar hing het: het Portret van een jongeman met kaars, alias met kandelaar, alias voor een wit gordijn. Een schilderij, zei hij, dat deel was gaan uitmaken van zijn persoonlijkheid, ‘van de verzameling emoties en indrukken die bepalen wie ik ben’. Wij hadden het nooit over ‘gevoelens’ of dergelijke dingen, ons contact ging over de omweg van het lezen, kijken of luisteren. Wie denkt dat zoiets afdoet aan de intensiteit heeft het mis. Ik herinner mij een gemeenschappelijk bezoek aan de Cappella degli Scrovegni in Padua. Het was mijn tweede keer, voor hem geloof ik al de vierde. Je komt hier, zei hij, om er niet te zijn. Hij verdween in de Melkweg, ik in de stilte van Midden-Afrika. Ieder kent zijn eigen verdwijnpunt. Yet so near. Volmaakt is dan een ander woord voor eenheid. Of het nu de boodschap aan Anna is, het offer van Joachim, al die Bijbelscènes zijn onderdeel van één verhaal, verwijzen naar één gebeurtenis: de Dag des Oordeels. Bij volmaakte kunstwerken lijkt het collectieve oordeel de eenheid ervan te vergroten. En die Dag te herhalen. Neem Dante, en dan bij voorkeur in die dubbeltalige Aldine-uitgave. Die past namelijk precies in je zak en zo kun je, in een trammetje van huis naar bibliotheek (en terug), Italiaans leren: Io vidi già nel cominciar del giorno / Ere now have I seen, at dawn of day. Borges deed dat, elke dag. Niet alleen voor Borges, voor de hele lezersschare vóór en na hem verving die goddelijke komedie de belofte van de oude religies: een thuis, de thuiskomst. De reis naar huis, nostos, is een van de grote gebaren van de literatuur sinds de Odyssee. Een van onze diepste verlangens, de nostalgie, komt ervandaan. Tegelijk draagt ieder zijn eigen huis met zich en belichaamt iedere schrijver zijn eigen verlangen. En blijft de vraag naar the perfect fit, als die Dante in de zak van Borges. Al te vaak schort er voor een schrijver iets aan de roman, het verhaal, het essay dat hij leest. Niet omdat Homerus weleens een dutje doet en Goethe zich vergist (en Dante te streng is), maar omdat de schrijver ‘meeschrijft’. Elke vorm van bewondering wordt tegelijk een stille kritiek. Dat geldt ook voor de schrijver die zijn eigen boek herleest. Een paar weken na verschijning is dan ‘alweer zo lang geleden’. Dus vroeg ik me bij herlezing van  In alles ben ik groot af: had het anders gekund, had het beter gemoeten? Was het bijvoorbeeld niet beter geweest een andere cesuur in het leven van Michaël aan te brengen, een andere ‘oerscène’ op de voorgrond te zetten? Niet die plotse inhechtenisneming op 29 oktober 1986 en niet dat verblijf in een politiecel, op beschuldiging van vermeende boekendiefstal. Het waren maar vier dagen, toch? En een Nederlandse cel? Toch, bezoek maar ‘s zo’n cel (ik deed dat). Het is afschuwelijk. Voor iemand die geprogrammeerd is in vrees voor geweld en vrijheidsberoving is het niet minder dan een ramp. Anderzijds, Michaël was inmiddels een volwassen man, een minder absolute reactie had gekund. En vooral: hij was al wie hij was. Dat verblijf in die cel bevestigde zijn kijk op het leven, vormde die niet. Was het niet beter geweest als ik de lezer mee teruggenomen had naar die andere dag, dat huiveringwekkende moment waarop zijn hele leven inderdaad een volledige draai maakte, op dat pleintje voor de oude Hervormde Kerk van het eiland Marken? Rond die kerk werd vanouds begraven, maar dat oude kerkhof was al generaties geleden bestraat. Hij schreef er een mooi gedicht over, ‘Kerkplein, voorheen kerkhof’. ‘Waar nu alleen nog maar nacht is / sta ik bedremmeld nog, verzwijg / een onleesbaar lange brief’. Maar veel indringender, veel wanhopiger nog en vooral veel ingrijpender voor zijn leven en dus voor zijn levensbeschrijving is het gedicht ‘Marken’.

Het knekelveld: hier zag ik hen
toen ik niet beter wist of
aanstonds gingen graven open.
Engelen in blauwe overalls en
plompe modderlaarzen. Zij spatten
met water alsof het licht was.

[…]

Die engelen zijn werklieden van het Provinciaal Gasbedrijf Noord-Holland.  Er worden gasleidingen aangelegd, ook onder het plein voor de kerk. Die werkzaamheden woelen dat oude kerkhof bloot. Een jongetje, van school op weg naar huis, kijkt toe. Het is een zeer gelovig kind, elke dag kan het einde der tijden daar zijn, de wederopstanding der doden. Het ziet hoe er jeu de boules gespeeld wordt met een schedel, hoe uit de tandeloze kinnebak een lijntje rulle aarde druipt. Het kijkt toe wanneer molens de bekkenelen verkraken tot beensplinters. ‘Zij gingen als mortel in een vloer.’ Dat kind is Michaël. Hij is een jaar of zes, beslist niet ouder. En hij is verbijsterd. Hoe moest dat nu met die wederopstanding? Hij brengt zijn ouders op de hoogte van wat hij gezien had, vraagt hun wat er nu eigenlijk precies gebeurt op die jongste dag. Ogenschijnlijk kalm, maar van het ene op het andere moment beroofd van zijn geloof. En bang.

En dus klampte ik mij, doodsbang voor de dood, aan de taal van het Oude Testament vast, bezweringsformules van vele eeuwen oud, soms van een grote schoonheid, dan weer van een grote wijsheid. Ik liet, omdat ik niet kon slapen van angst, mijn hoofd vollopen met toverformules: ze zitten er nog altijd in en ik vertrouw er nog altijd onredelijk op. Die angst is de ene helft van de ziel van Zeeman. Wie die niet in al zijn levens­bedreigende strekking tot zich door wil laten dringen, begrijpt niets van hem. En wil of kan dat waarschijnlijk ook niet. Tegelijk is het de geboorte van een wilde, noem het panische, levensdrift. Hier realiseert een veel te jong jongetje zich dat hij zichzelf is en dat hij, zonder god, niet weet wat dat is. Het is de geboorte van de schelm. Een schelm is iemand die het vege lijf redt. Er is niets om van uit te gaan, er is niets om naartoe te gaan. Maar thuiskomen zal hij, al moet hij zevenmaal om de aarde, al moet hij liegen en bedriegen, ontvreemden en betoveren, zichzelf verliezen of zichzelf verzinnen. Die levensangst was bij Michaël het misverstand met zichzelf, die levensdrift met de wereld om hem heen. Die angst heb ik gezien, die drift heb ik gevoeld. Als iemand mij zeer nabij was, was het Michaël Zeeman. En tegelijk, als iemand mijlenver van mij afstond, was het Michaël Zeeman. Om hem heen hing het noli me tangere uit de Bijbel. Ik heb geprobeerd hem aan te raken. Is me dat gelukt? Destijds, toen hij me zijn eerste dichtbundel, Beeldenstorm, opstuurde (‘Voor Willem Otterspeer: ‘Wem den grossen Wurf gelungen, eines Freundes Freund zu sein’, MZ 12 IV ‘91), met daarin dat gedicht ‘Marken’, schreef ik hem een lange brief met een beschrijving van mijn eigen tweede geboorte. Even jong als hij was ik, even onbewapend. En blijvend gevangen in het eeuwige heden van een herinnering. Het is winter en ik schaats. Bij een doodlopend weggetje, een afslag van de Lageweg, ergens tussen aannemer Cees Spek en de boerderij van Vonk Noordegraaf, op een dichtgevroren vijver. Iets haalt mij uit mijn gebogen concentratie. Volk op het ijs, grote mensen, familie, een oom, ik zie dat ze naar me kijken. Is medelijden een trilling, heeft het een golf? Een diepe onrust maakt zich van mij meester, ik bind mijn schaatsen af en ren naar huis. Daar tref ik mijn ouders aan. Mijn vader in een leunstoel, mijn moeder met haar armen om hem heen. Hij huilt. Hij is vergeten het watergekoelde motorblok van zijn schip af te tappen. Het carter heeft een barst als een koortsdiagram. Hij huilt. En alles is in gruis. Als een moker door een glazen bushok. Nooit is de wereld meer geworden wat hij was. Alles was voortaan gestempeld met het stigma van de tijdelijkheid, doortrokken met een fluïdum van kwetsbaarheid. Zekerheidszoekers werden we, allebei, Michaël en ik, en daardoor begreep ik iets van hem. Maar het verschil was groter dan de overeenkomst. Allebei streng protestants opgevoed, maar zijn god was de mijne niet. De predestinatie gleed van mij af als water van een eend, al in de zandbak was ik een heiden. Belangrijker nog: zijn ouders waren het verlengstuk van de verdoemenis. Zijn vader was een afwezige god, zijn moeder een wrekende furie. Mijn moeder was de zoetheid zelve, mijn vader een vrije man die voer op zijn eigen schuit en piste tegen zijn eigen boom. Mijn angsten waren aards als geld, zijn inzet was vele malen hoger. Ik had een veilig dorp, hij had echte hersens. Ik zocht wat ik vond, ik bleef dicht bij huis. Zijn actieradius deed hem de das om. Hij was ook wel erg anders. Omdat hij zich van jongs af aan in alle letterlijkheid moest uitvinden, leek zijn leven een dagelijks experiment. Dat karakter had dus ook onze vriendschap. Vaak waren zijn beweegredenen volkomen raadsels voor me. Het is ochtend, ik heb bij hem overnacht, wij zitten tegenover elkaar in die enorme, boekbelijnde woonkamer, op die karakteristieke banken (zwart ribfluweel), in dat grote huis aan de Nicolaas Witsenkade. Allebei in ochtendjas (zwart ribfluweel). Landerig bijna, als op een warme zomerdag in het open veld, trekt hij zijn rechterbeen op, waardoor zijn kamerjas openvalt en zichtbaar wordt hoe de Heer hem geschapen heeft. Diezelfde Heer verschaft mij gelukkig een automatische piloot die mij doet opstaan om naast hem te gaan zitten. En terwijl ik neerplof verschaft Hij me ook nog (soms kan men zijn geluk niet op) de juiste tekst: ‘Ik krijg hoogtevrees van je, Michaël.’ Hij barst in lachen uit. Maar wat was het? Het klein acteursexamen? Homo nudens? Een scène uit een verhaal in wording? Het zou niet de eerste keer zijn dat ik een figurant was in een van zijn vertellingen. Ongrijpbaar. Alsof hij geen identiteit had maar een kapstok, een repertoire aan mogelijkheden, een onafzienbare hoeveelheid karakters op zoek naar een schrijver. Onbenaderbaar. Onaanraakbaarheid hing om hem heen als een elektrisch veld. Raak me niet aan, zei Jezus tegen Maria Magdalena toen hij, voor even, terugkeerde op aarde. ‘Maar raak mijn hoofd niet aan’ heet het in het gedicht ‘Noli me tangere’. Onuitstaanbaar. Alles had hij groter, overal kwam hij mee weg. Er is geen vorm van diefstal of Michaël is ervan beschuldigd, boeken van de baas, brieven van vijanden, vrouwen van vrienden. Maar hoe ijverig de juristerij, hoe microscopisch het detectiewerk, hoe wrokkig de opzegging, er viel niets te bewijzen. Als een cordon sanitaire, de juridische pendant van zijn eenzaamheid, hing het sepot om hem heen. Alles wist hij beter. Als geen ander kon ik beoordelen hoe groot zijn kennis was en hoe diep zijn belezenheid. Tegelijk kon hij die belezenheid zo uitvergroten dat hij minderbegaafden argumenten verschafte eraan te twijfelen. Wendbaar als Tijl Uilenspiegel was hij, slim als Reineke de Vos. Maar juist die wendbaarheid, die snelheid en slimheid, de survivalkit van de schelm, leverde hem bij leven al een schervengericht op. Toen hij Nederland verruilde voor Rome werd hem door NRC Handelsblad uitgeleide gedaan met een roddelstuk dat elk journalistiek fatsoen tart. Verbazingwekkender nog is de bestendigheid van zijn slechte reputatie bij een deel van de schrijvende pers. ‘Hij is al vergeten,’ zeiden kleine zielen op de Volkskrant een paar maanden na zijn dood. Nog steeds zijn er journalisten en columnisten die hun oude kwetsuur koesteren als een laag lintje. Hoe anders is dat bij de vrouwen in zijn leven. Michaël was geen man om getrouwd mee te zijn. De treurnis waarin zijn eerste grote liefde eindigde, de ravage van zijn eerste huwelijk bewijzen dat. Maar in korte vrijages was hij op zijn best. Hij nam ze mee, zijn kortstondige geliefden, naar Parijs, Brussel, Londen, leidde ze rond in Rome of in enige andere Italiaanse schoonheid. ‘Een warme, gulle minnaar,’ tekende ik op uit de mond van een van hen. Maar de vriendschap dan? Dat is toch echt een dingetje van duur. Ook daarin treft in eerste instantie zijn generositeit. De tekenen ervan zijn door mijn boekenkast gestrooid. Boeken met opdrachten als (in The First and the Last van Isaiah Berlin): ‘In ieder geval nog lang niet “last”. In lasting friendship, 14 XI ‘99’. Hij tekende ook, zo merkte ik na zijn dood, aan wanneer hij een boek van mij kreeg: ‘van W.O.’, of ‘Ex dono W.O.’ staat er dan in, in dat kriebelige handschrift. Dat kleine welhaast getekende handschrift was de pendant van de zachte manier waarop hij sprak, een omgekeerde maar effectieve manier om aandacht te trekken. Cadeaus daarentegen konden van een grote luidruchtigheid zijn (een zilveren sigarenkoker met inscriptie bijvoorbeeld), zoals een plotseling voorstel op reis te gaan iets van een overval kon hebben (‘inpakken, we gaan naar Parijs’). Al kon het natuurlijk zijn dat een vriendin dat reisje zonet had afgezegd. Tegelijk was de vriendschap voor hem een permanent soort concurrentie.  Hij wist dat en bezwoer bij het begin van de onze dat we een uitzondering zouden zijn. Maar dat waren we niet. Parijs was zelfs een ander woord voor concurrentie. De boekhandels (La Hune, L’Écume des Pages, Compagnie, de boekhandels van Gallimard en de Sorbonne) waren jachtvelden en regels waren schaars. Achteraf vergeleken we de buit en waren jaloers. Ooit stond ik in La Hune wat te dralen voor een kast waarin geen boeken stonden maar vergezichten. Een reeks van de puf (Presse Universitaire de France), op iets boven ooghoogte, onaanzienlijk in uitvoering, betoverend van titel: Le voyage, le monde en la bibliothèque, Le roman à thèse ou l’autorité fictive, Éloge du phrasé, L’écriture fragmentaire, Le mythe de la passante, La fantasmagorie. Een stuk of tien. Ik aarzelde, dom, dom. Ik had toch kunnen weten dat hij achter me stond.  Ik kende die onmiskenbare aftershave. Hij reikte over mij heen, pakte de hele plank en scharrelde naar de kassa. Achteraf, bij dat vergelijken (in een art-decorestaurant vlak bij La Hune, met nog de oude dansvloer in het midden), liet ik mij, toen de puf-reeks aan de orde kwam, van mijn kleinzerige kant zien: ‘Benieuwd welke titels ik gekozen zou hebben.’ Diezelfde avond nog vond ik op mijn hotelkamer vijf met een lintje in de kleuren van de tricolore bijeengebonden boeken op mijn kamer: ‘Don du peuple français’. Na zijn dood, op de veiling van zijn boeken, kocht ik, even schuldbewust als hij destijds, de andere vijf. De belangrijkste vraag intussen is: kun je vriend zijn van een schelm? Kun je de intimiteit die de vriendschap is vinden bij iemand die in wezen ongrijpbaar, ja onbenaderbaar blijft? Ik herinner mij een lang gesprek dat natuurlijk aan tafel plaatsvond en waar­bij de borden weggedrukt werden door boeken. Het ging over een van onze favoriete schrijvers, de Duitse filosoof Hans Blumenberg. We hadden allebei over hem geschreven, kenden zijn werk goed. Centrale stelling van dat werk is dat de mens geboren is in een onleefbare werkelijkheid, in een uithoek van een ijskoud heelal, voor een ultrakort leven zonder enige hoop, zonder enige zin. En alles wat wij doen, die mooie cultuur van ons, wetenschap en filosofie, kunst en literatuur, is een tot mislukken gedoemde poging die totalitaire werkelijkheid op afstand te houden. Mythe, religie, natuurwetenschap — noem het en wij bedachten het, om het vege lijf te redden. Schelmen, wij allemaal. We bedachten ‘totalitaire metaforen’ om ons een klein beetje veiligheid te verschaffen. Over een paar daarvan schreef Blumenberg dikke boeken. Eén was Die Lesbarkeit der Welt, een andere Höhlenausgänge. Het eerste was het lievelingsboek van Michaël, het tweede dat van mij. Blijkbaar hield Michaël de werkelijkheid op afstand door er een boek van te maken. En ik door weg te kruipen in een hol, in een huis, in een vaste baan. Zo bekenden we elkaar onze kwetsbaarheden, via de intimiteit van een boek. Zo hielden we elkaar op afstand, via de concurrentie van het lezen. Vrienden waren we en rivalen, ik ouder, hij slimmer, ik voorzichtiger, hij roekelozer. In een van zijn verhalen, ‘De antiquaar en het verlangen’, dat over een andere vriend ging, beschreef hij tegelijk onze vriendschap.

Wij waren getuige van elkaars aarzelingen en ontdekkingen, onzekerheden en misplaatste bravoure. Wij waren elkaars getuige bij de geboorte van oordelen, bij het afsterven van vooroordelen. Het kan niet anders of de kennis van een dergelijke doorslaggevende periode in het leven van de ander bewerkstelligt een hoge graad van vertrouwelijkheid en vertrouwdheid.

Die was er, die hoge graad van vertrouwelijkheid. Tegelijk concurreerden we. Eigenlijk verdeelden we de wereld: ik een stukje universiteit, hij de rest. Ik schreef dikke boeken, hij schreef de kranten vol. Door de jaren heen werd duidelijk dat ik iemand werd die hij niet was. Het begon uiteraard met boeken. Mijn bibliotheek, aanvankelijk niet zoveel kleiner dan de zijne, veranderde wel maar groeide niet. Hij kocht (of deed iets vergelijkbaars), ik krentte. Volume week voor soortelijk gewicht, omvang voor essentie, veelheid voor identiteit. Op een (veel essentiëler) moment ontdekte ik dat het veel leuker is om één vrouw te hebben dan een paar tegelijk of telkens een andere. Het kwam er op termijn op neer dat ik genoeg had aan één huis, aan één stad(je). Eén leven, dat nu  al vijfentwintig jaar langer duurt dan het zijne. Bij het schrijven van mijn boek werd ik me ervan bewust, helderder dan me aanvankelijk voor ogen stond, dat de schelm een rorschachtest is, een inktvlek in de vorm van een vleermuis, een vlinder, een dier, een mens, een onweerstaanbare attractie voor projecties. Natuurlijk is mijn boek over Michaël een projectie. Een zoektocht, zeker, een zelfonderzoek, ook, maar vooral een verlangen, een terugkeer naar de oude betovering van een gedeelde belezenheid. Lezers zijn zoekers. Wie ben je? Je bent de boeken die je gelezen hebt. Je bent natuurlijk ook wat je gezien en gehoord hebt. Maar lezen heeft iets speciaals en dat is de ingebouwde afstand. Het is als met de waarnemingstheorie van Proust. Je ziet iets en je weet dat je het ziet. Tussen ding en ik zit een laagje bewustzijn (een klein stukje borduurband noemt hij het, ‘un mince liséré spirituel’). Hij vergelijkt het met de damp tussen een gloeiend heet object en het vochtige voorwerp waarmee je het probeert aan te raken. Damp ook zijn al die mensen in A la recherche du temps perdu, beelden veeleer dan onbenaderbare werkelijkheid. Al hun geluk en leed wordt ons pas toegankelijk door een beeld van dat geluk, dat leed. Een kleine ‘simplificatie’ noemt Proust het, een ‘vereenvoudiging’ die de lezer in staat stelt zijn eigen ervaring met geluk en leed in te zetten en zo de gevoelens van de verschillende personages te assimileren. Het lijkt een wat paradoxale theorie, het koele beeld als intermediair voor de withete lectuur, het mogelijk maken van nabijheid door het scheppen van afstand. Maar het boek alleen al is zijn eigen beste beeld: we zitten met op schoot alleen maar letters op papier, en we schateren, we huilen. Voor mij bood het beeld van de schelm de ideale afstand tot Michaël Zeeman. Aan de ene kant is die schelm een van de meest archetypische figuren uit de wereldliteratuur. Elke cultuur, elke tijd kent hem, hij behoorde, in de woorden van de Nederlandse literatuurwetenschapper (en schelm) André Jolles, samen met de ridder en de herder ‘tot de vaste inventaris van de literatuur’. Spelen we met de herder de idylle van de natuur en met de ridder het spel van het heldendom, met de schelm beleven we het sprookje van de misdaad. Geen kinderspel, zegt Jolles, maar een ‘eenvoudige’ vorm die ons in staat stelt iemand anders te worden, weg te vluchten uit ons banale bestaan. En voor die vlucht, die travestie, staan ons, zo eenvoudig zijn we geprogrammeerd, maar drie dimensies open: naar buiten (de troost van de natuur), naar boven (de daden van de held) of naar beneden (de streken van de schelm). Wat een tour de force, dat opstel uit 1932 (‘Die literarischen Travestien: Ritter — Hirt — Schelm’)! Of nee, zegt Jolles, er is nog een vierde dimensie, de weg naar binnen. Daarin verkleden we ons niet, daarin veranderen we. We verliezen een deel van onszelf, en behouden het betere deel. Dat feestje speelt zich echter niet af op aarde, maar ‘auf der anderen Seite der Erde, im Jenseits, auf dem Fest der Ewigkeit’. Er is wel gesuggereerd dat ik mij in mijn boek beter had kunnen beperken tot een bundel herinneringen. Maar ja, suggereerde een biografieprofessor, een biografie heeft nu eenmaal meer aanzien. Laat status nu net ontbreken in mijn catalogus van zekerheden. Nee, het moest een biografie worden, maar niet door zo’n rare alwetende mijnheer, die de ‘werkelijkheid’ kent en precies weet hoe zijn held(in) daarin past. Nee, bij een schelm die nergens bij hoort en uit zijn ooghoeken leeft, past een verteller met een perspectief, een schrijver, een vriend. Niet om goed te praten wat Michaël verkeerd gedaan zou hebben. Dat wilde ik niet en dat deed ik niet. Maar omdat de schelm, door zijn levenswijze, door de veranderlijkheid van zijn identiteit en de intensiteit van zijn bestaan, alleen van een zekere afstand nabij te brengen is. De afstand die de vorm van de biografie mij bood heeft weinig te maken met objectiviteit. Daar geloof ik niet in, en wie dat wel doet wens ik welterusten. Een biografie is geen wetenschap, het is een ontmoeting van twee mensen, van twee vormen van verlangen. ‘Uiteindelijk gaat het in een biografie om de confrontatie tussen de held en de wereld,’ luidde een van de reacties op mijn boek, ‘en niet die met datgene wat de hoofdpersoon voor de wereld hield.’ Maar ik weet niet wat dat is, ‘de wereld’, en mijn held bestond inderdaad uit een illusie. ‘Human beings are too important to be treated as mere symptoms of the past,’ schreef Lytton Strachey meer dan honderd jaar geleden in Eminent Victorians. Hij hield een pleidooi voor subtiliteit, voor ‘a careful curiosity’. Hij brak de staf over beroerd schrijven en wat hij een ‘lamentable lack of selection’ noemde, een kwalijk gebrek aan visie en vorm. In 1998 deed Michaël in Feit & Fictie deze filippica nog eens dunnetjes over. ‘Er voltrekt zich een ramp in de wereld van de Nederlandse biografie.’ Hij was verre van origineel en hij overdreef. Maar hij keerde zich terecht tegen de gedachte dat er maar één soort biografie is, die confrontatie tussen de held en de wereld. Dat is een vermolmd procrustesbed, een definitie zonder werkelijkheid. Daar maakt mijn boek dan ook geen aanspraak op. Werkelijk is wel die sleutel van zijn huis aan de Nicolaas Witsenkade, die nog steeds, naast die sigarenkoker, in mijn boekenkast rust. Ik kon komen en gaan wanneer ik wilde. Maar op een bepaald moment had Michaël blijkbaar genoeg van dat gaan en komen en veranderde hij de pensleutel, zonder mij daarvan op de hoogte te stellen. Dat gevoel van mij destijds, wel de sleutel hebben maar niet de toegang tot het huis, dat is het biografiegevoel. Maar even heftig is het gevoel dat hij er nog steeds is. De doden zijn alleen maar betoverd, schreef Proust in navolging van de Kelten. Hun zielen zijn gevangen in inferieure vormen, plantaardig, dierlijk. Maar er komt een dag dat je langs een boom loopt, hij ruist, jij roept en nog niet heb je elkaar herkend of de betovering is verbroken. ‘Door ons bevrijd hebben zij de dood overwonnen en keren terug in ons leven.’ ¶

Ben Clark

Willem Otterspeer (1950) is historicus en biograaf. Hij werkt aan een biografie over de letterkundige André Jolles.

Meer van deze auteur