Redactioneel
Hoe kun je als middenklasser het kapitalisme tot ontploffing brengen?
Met deze vraag sta ik in februari op een dorpsweg in het Gelderse Gorssel. Op loopafstand van het dorp voert de weg langs een vijf jaar oude tuinderij, opgericht door twee Amsterdammers die zich net zoiets moeten hebben afgevraagd. Het raadsel is me ingegeven door econoom Massimo De Angelis, een van de denkers die ik lees in de maanden voor het bezoek, als jonge middenklasser, op zoek naar een waarachtige levenshouding te midden van de talloze kapitalistische catastrofes waarin we ons bevinden.
Mijn vingertoppen prikken van de kou, het korstje aarde langs de bermen is bevroren. Links en rechts van me strekken lappen afgekaderde grond zich uit, nu onbegroeid, ‘s zomers staat hier overal mais. Het landschap is niet onaangenaam, maar opgenomen voel ik me niet — meer doen dan er over het asfalt doorheen lopen, lijkt absurd.
De tuin ziet er ontoegankelijk uit. Zo’n twintig stalen constructies staan er, met rijen slapende kersenbomen erlangs, tussen elke boom precies een meter, schat ik. Ik probeer me voor te stellen hoe het er vroeger was — golvend gaas, dan nog intact, dat het peloton aan strak op maat gehouden bomen omhult, het gelispel van een voortdurende toestroom van water en meststoffen, het zweten van een vijftal gastarbeiders.
Aan de kopzijde van de boomgaard ligt een reep grond onder een waterige bewolking die me eerder nauwelijks is opgevallen. Ben ik ontvankelijker nu ik hier ben? Als ik me buk, zie ik dat de aarde vermengd is met plastic scherfjes, sommige van wel een centimeter. Later vertellen de boeren me dat die er ingereden zijn door de voormalige eigenaar van het land: naast kersen teelde hij aardbeien, en kapotte plantenpotten legde hij gewoon direct onder zijn trekker.
De grond is kaal geoogst, her en der vind je nog wegrottende bieten, vergeeld loof dat door de regen één kant op is gekamd, nog nieuwe spruitjes aan wild kronkelende stammen. In een blauwe keet zitten ze aan de koffie als ik aankom, iemand grapt dat er nooit wat van komt, kort daarna graaf ik met een schop gaten in de aarde. Drieduizend jonge bomen hebben ze besteld en we zijn met zes vandaag, zo kunnen we opschieten.
De boeren wonen in de stad, maar de halve week werken ze in de tuin, en in de maanden die volgen ben ik er regelmatig. Het werk is monotoon, week in week uit moet het onkruid bij de worteltjes gewied, maar de opzet van De Tuinen van de Egel is origineel en radicaal. Zo wordt op slechts een tiende van het land voedsel verbouwd voor mensen, zonder pesticiden of kunstmest, op 40 procent is een voedselbos in aanleg, en de helft van de tuin wordt met rust gelaten, zodat ook niet-menselijke dieren er een schuilplaats kunnen vinden. Speels verhouden de boeren zich tot het landje, tot elkaar, en tot mij — in het gras gevonden stalen bogen worden gebruikt om kassen mee te bouwen, boeren die uitslapen krijgen koffie op bed, als ik honger heb, wordt me een ui aangeboden. Werken en leven vermengen zich in een vanzelfsprekende intimiteit, soms voelt het er gewoner dan in mijn eigen Amsterdamse dagen.
Maar ondertussen rijst bij mij de vraag of De Egel ook betekenis buiten zichzelf draagt. Het is heerlijk dat de boeren een nabijheid met planten, dieren, de grond en elkaar weten te creëren die zeldzaam en waardevol voelt in onze laatkapitalistische levens, maar verhouden ze zich echt anders tot de wereld buiten deze 4,5 hectare? En welke politieke kracht gaat uit van wat ze er hebben opgezet?
Een besef van die kracht vind ik in teksten van econoom Massimo De Angelis en filosoof Silvia Federici. Die vinden allebei dat het kapitalisme een wereldwijde hiërarchie veroorzaakt, die collectieve zorg ondermijnt door te draaien om winst voor de bovenlaag. In theorie keuren veel mensen deze hiërarchie af, maar De Angelis beweert dat wij die feitelijk in stand houden: we stabiliseren het kapitalisme door hoe we werken, studeren, consumeren en kapitaal opbouwen, en we houden er niet mee op omdat we er afhankelijk van zijn voor ons voortbestaan als middenklassers. Terwijl we ons inzetten om een beter leven voor onszelf te verwezenlijken, verlangen we impliciet van mensen die buiten onze klasse vallen dat ze het werk verrichten dat onze levens overeind houdt: het schoonmaken van onze perrons, het oogsten van onze tomaten. Volgens De Angelis en Federici is het noodzakelijk dat we dat fundamentele werk daarom collectief gaan herverdelen; de middenklassen zullen zichzelf, in de woorden van De Angelis, moeten opblazen, want de bovenlaag zal dat nooit doen.
Maar hoe veroorzaak je zo’n explosie? Federici ziet dat veel pogingen daartoe in werkelijkheid de middenklassen blijven reproduceren. Als je samen een stuk grond koopt om er groenten te verbouwen, versterk je nog steeds het klassenschisma: je bouwt er kapitaal mee op, terwijl het initiatief ontoegankelijk wordt voor mensen zonder geld. Het je aanmeten van een moreeljuiste levensstijl verleent je status maar verandert niets; in plaats daarvan moeten we proberen ruimtes te scheppen waarin collectieve zorg onafhankelijk van deze hiërarchie kan functioneren. Daartoe moet zo’n ruimte — een stuk grond, een huis, een vorm van zorg of van kennis — autonoom zijn ten opzichte van de kapitalistische markt en de staat, betoogt Federici; de ruimte mag niet in bezit zijn, er mag geen winst mee worden gemaakt, mensen uit alle sociale lagen moeten er deel van kunnen uitmaken, en iedere deelnemer moet er gelijke toegang toe hebben en gelijke zorg voor dragen. Je zult ervoor op zoek moeten naar mazen in de wet.
Omringd door opkomend kattenkruid, populair onder bijen, hommels, vlinders, zoek ik naar een concreet model, een manier van leven. Hoe kunnen we de sociale wereld waarnaar we verlangen, in het heden realiseren? Hoe kunnen we weer afgestemd raken op elkaar, op de dieren, op de planten, op de grond, als we er in ons huidige leven structureel van afgesneden zijn? De antropoloog Arturo Escobar beschrijft het als een proces dat niet met overkoepelende modellen of staatsvormen te verwerkelijken is: leren aanvoelen wat je deelgenoten nodig hebben, je omgeving leren veranderen door er anders in te zijn dan nu, zal op elke plek en binnen elke gemeenschap iets anders betekenen. Escobar schetst een planeet die kan bestaan uit een oneindigheid aan werelden die met elkaar in contact staan, maar die niet meer vanuit een centrale economie of verhouding met de werkelijkheid georganiseerd wordt: door van onderaf andersoortige relaties te versterken kunnen we onze destructieve omgang met de aarde veranderen.
Zo besluiten twee Amsterdammers dat ze zich willen inspannen voor biodiversiteit en voor de beschikbaarheid van lokaal geproduceerde groenten. Dit zijn zaken die moeilijk te realiseren zijn als je, zoals de meeste boeren in Nederland, grond in privébezit hebt dankzij een lening bij de bank; omdat je winst moet maken, heb je er simpelweg de tijd niet voor, dus heb je weinig keuze en verandert je grond in een monoculturele lap. Maar grond bewerken zonder vorm van eigendom is juridisch geen optie. De Amsterdammers lenen daarom via stichting Kapitaloceen geld van mensen binnen hun netwerk, rentevrij en voor slechts twee jaar. Ze kopen de tuin uit deze fluïde pot aan geld, die op regelmatige basis moet worden bijgevuld met nieuwe leningen; het stuk land valt zo in niemands individuele handen. De nieuwe boeren halen op deze manier land én kapitaal uit de markt, want een lening zal niet toenemen in waarde zolang die in de pot zit, en zolang de pot strekt, mag het land niet worden doorverkocht.
Om zelf eten te kunnen kopen en de huur te kunnen betalen, verkopen de boeren, inmiddels zijn het er zes, wekelijks 130 groentepakketten tegen solidaire prijzen: hoe minder je verdient, hoe minder je ervoor betaalt. Dit verbindt het experiment met de markt, maar waarborgt ook de toegankelijkheid ervan: je hoeft niet rijk te zijn om de groenten te kunnen kopen, of verbouwen.
Met een mesje snijd ik spinazie los vlak onder het grondoppervlak. Het is een woensdag in mei en ik help met oogsten. Eerst hurk ik, dan verplaats ik mijn gewicht naar mijn knieën, ik weet niet goed hoe ik het handigst kan zitten. Ik vraag me af waar ik moet beginnen om mijn leven anders te organiseren: ik ben afhankelijk van een kapitalistische markt en van de staat, en kan niet overzien wat ervoor nodig is om beide te ontgroeien. Wat ik wel weet, is dat we in de wirwar aan vormen moeten zoeken naar mogelijkheden om ons gezamenlijk los te wringen, naar onvoorzienbare transformaties waarin we ons, onzeker, moeten oefenen. Dit experimenteren is bemoedigend, zo leer ik op De Egel — mijn vingers bewegen zich steeds soepeler.
En het blijkt niet ingewikkeld, nu ik het doe, velen van ons zullen het kunnen: je neemt vijf bosjes spinazie in je linkerhand, met je mesje plus rechtervingertoppen ga je de aarde in en snijd je de steeltjes af direct onder de wortelhalzen, je stopt de bosjes in een krat — en je voelt een aanzwellend gekriebel van grond onder je nagels. ¶
Literatuur:
Massimo De Angelis, ‘The Production of Commons and the “Explosion” of the Middle Class’ in: Antipode, 42: 954—977, 2010.
Arturo Escobar, Designs for the Pluriverse: Radical Interdependence, Autonomy, and the Making of Worlds, Duke University Press, 2018.
Sylvia Federici, ‘Feminism and the Politics of the Commons in an Era of Primitive Accumulation’ in: Re-enchanting the World, PM Press, 2019.
Poëzie
De tuinen
Poëzie
Gedichten
Essay
Mozaïek en kiemcel
Verhaal
Gedeelde grond
Poëzie
Oden in de spooktuin
Essay
Verlangen naar gezamenlijkheid
Poëzie
Hagen
Essay
Met Otto in De Tuinen van de Egel
Poëzie
Missa botanica
Beeld
Garden
Verhaal
Zusterstemmen
Essay
Albidas
Verhaal
Onderverlicht
Poëzie
Stillevens
Essay
De zwijgzame vulkaan
Poëzie
Naar het noorden
Stripverhaal
Closed due to weather
Beeld
Oproep van de tuinders
Beeld