Redactioneel
Terwijl ze in de vroege ochtend na de bruiloft naar het station in Brussel liep werd er steeds gebeld, de telefoon zoemde zachtjes. Ze liep door een liefelijke zonsopgang — koerende duiven, spiegelende vensters, gestapeld en geketend terrasmeubilair, zandstenen façades en lege boulevards in een lila-oranje gloed. Haar hele lichaam deed zeer. Mooie, zwarte jongens gooiden vuilnis in sierlijke bogen in de wagen. Alleen in de vroege ochtend van de grote stad bestaat de luxe van veilige verlatenheid. Ze drukte bijna zonder te kijken het nummer weg.
Ze wist aan de lengte en de onbekende cijfercombinatie aan het begin dat het een internationaal nummer was. Ze wist dat haar oom belde of haar neefje, maar had hun nummers niet opgeslagen. Het neefje dat ze nooit ontmoet had noemde haar Aunty in zijn berichtjes. In haar hoofd was hij nog steeds zoals op zijn babyfoto’s — onmiskenbaar familie, met vochtige ogen tegen smetteloos oogwit. Een gaafheid van jeugd en een wil tot leven die door niets leek te kunnen worden tegengehouden. Hij vroeg haar of ze hem kon helpen naar Europa te komen. Hij had een speciaal Engelstalig eindexamen afgelegd. Hij vroeg haar of hij in Nederland zou kunnen studeren. Wat de opties waren. Ze hield niet van de familiare claim en tegelijkertijd neerbuigendheid in dat woord, Aunty. Ze had niet geantwoord.
Iemand liep net te dicht achter haar het gangpad van de trein in. Verstoord zonder het te laten merken keerde ze zich om en keek in de ogen van een tengere tiener. Eritrees, Ethiopisch? De ogen schitterden onnatuurlijk van slaapgebrek of drugs, of het begin van een psychose. Hij keek naar haar als een kind dat eindelijk zijn moeder gevonden had. Hij was zo fragiel maar ook zo duidelijk onvoorspelbaar, dat toen hij naast haar wilde gaan zitten in de bijna lege trein ze simpelweg haar hoofd had geschud, en hij had haar gehoorzaamd en was zwijgend doorgelopen. Een paar stations later zag ze hem op het perron tussen een conducteur, twee politieagenten en drie handhavers. Hij zweeg en bleef lachen met die euforisch buitenaardse glimlach en ze vreesde voor hem.
Haar moeder was jong gestorven, haar vader had getreurd. Drie verhuizingen en twee stiefmoeders waren genoeg om bijna alles kwijt te raken wat de jonge vrouw had achtergelaten en de herinnering aan haar was vervaagd tot één foto. Het beeld van een vrouw in spijkerbroek en wit T-shirt, met een dieprood en okergele tie-dye sjaal met goudborduursel nonchalant over haar schouders naar achter geslagen. Een studente met overvloedig, slordig zwart haar dat eindigde in droge, springerige pieken. In een grote, bijna lege kamer zit ze tegen een ruwe, witgeschilderde muur, half op een vensterbank aan een open raam. In één hand bungelt een sigaret, met de andere hand houdt ze een vergeelde pocket vast, een vinger tussen de pagina’s. Een studentikoos kosmopolitisme dat nu armoedig aandoet, een leven dat niet meer mogelijk zou zijn met zo weinig geld. Ze lacht met één opgetrokken mondhoek naar de fotograaf, een beetje verstoord. Ze heeft een vochtig fluwelige huid en donkere wallen. Er waren nog een paar sari’s, mottig en vergeeld aan de vouwranden, in een oude, beige nepleren koffer die dichtging met brede banden met gespen, ergens boven op een kast bij haar vader. Jarenlang slingerden twee glazen armbanden door haar huis, te smal om te dragen. Haar zusje had zich vastgebeten in haar gebrek aan herinneringen aan hun moeder. Ze had contact met haar moeders familie gezocht en gehouden, maar nu ze niet meer met haar zus sprak, hoorde ze zelden van die familie ver weg. Zou er iets met haar zijn? Nee, dat zou ze wel van haar vader hebben gehoord. Haar vader deed sinds zijn pensioen thuis schaakpuzzels op de achterkant van lege enveloppen, maakte af en toe een ommetje door de buurt en diepte enthousiast vriendschappen op uit een steeds verder verleden — studievrienden, schoolreünies, oude buurkinderen — alsof het hele volwassen leven een weinig belangwekkend intermezzo was geweest.
Er werd gefloten, de trein trok op en liet de jongen achter op het perron. Ze hoorde de stem van een jonge man een paar stoelen achter haar: ‘… maar ik denk dat als je jezelf verplaatst in de schoenen van een dakloos persoon, je alleen maar in de war raakt. Ik denk niet dat empathie de juiste reactie is, omdat je nooit echt in staat bent een ander te begrijpen. Sommige mensen zijn gewoon van een andere soort, zijn schizofreen of verslaafd. Zo is het nu eenmaal. Natuurlijk hebben we allemaal mededogen nodig. Ik denk vaak: vergeef ons onze zonden, zoals wij en zo, maar ik denk ook dat we streng moeten zijn. Die dingen sluiten elkaar niet uit met alle sociale voorzieningen en overal zitten ze te springen om handen! Niemand die bereid is te werken, hoeft dakloos te zijn. Waarom geen heropvoedingskampen? Nee, wacht even, laat me uitpraten. Plaatsen waar mensen zich kunnen herpakken, met internet en boeken, waar ze kunnen leren. Laat mensen verplicht vrijwilligerswerk doen en andere behoeftigen helpen, ouderen en kinderen, bijvoorbeeld. Ze voelen zich dan nuttig, dat is voor iedereen cruciaal. Sympathie voor mensen in een andere situatie is goed, te veel sympathie leidt tot een systeem waar niemand meer verantwoordelijk is voor zijn eigen levenskeuzes. Ik denk dat mensen die stinken en in de metro slapen verwijderd zouden moeten worden. Ik weet dat we daar niet meer over mogen klagen, maar zulke mensen misbruiken een publiek goed. Gewone mensen, zoals jij en ik, willen dan niet meer met de trein. Blonde meisjes worden voortdurend lastiggevallen, je leest het overal maar je mag het niet zeggen. Je moet zogenaamd compassie hebben met mensen die stinken en het moeilijk hebben. Maar echte compassie is dat je mensen verantwoordelijk houdt voor hun gedrag, dat je ze erop aanspreekt en dat ze leren daarvan de consequenties te dragen.’ Zijn gesprekspartner zei iets, maar ze was niet te verstaan over de afstand.
Toen hoorde ze een man, dichterbij, waarschijnlijk in een telefoon. ‘Hij geeft ons gratis notes, hoeft ie niets voor. Later wil hij er misschien wel geld voor… Je moet Delaware opzoeken, voor belasting. Als je je daar vestigt betaal je hier niets en daar niets, dan kun je gewoon binnenhalen.’ Toen, iets zachter, besmuikt: ‘Double penetration, zeg maar. Ja dat is echt mooi. Moet je gewoon even opzoeken… Ja we moeten even schuiven, want we missen nu een gast… Nee, vertel me niet wat je betaald krijgt, nee, dat moet je niet vertellen, hou dat maar gewoon voor je… Ja echt mooi. Echt ziek joh… Echt mooi.’
Ze was in die tijd niet gelukkig, maar probeerde daar niet te veel achter te zoeken. Het einde van haar jeugd en een verwaarloosde depressie maakte dat ze zich moorddadig ongelukkig en nobel stoïcijns voelde omdat ze haar eigen lijden aanschouwde zonder er iets aan te doen. Ze vroeg zich af of die stille voldoening onderdeel van de kwaal was, of iets wat het lijden verergerde zonder oorzakelijk verband. Ze was bijna thuis toen de trein tussen de weilanden stil bleef staan. Iedereen wachtte op een bericht via de intercom. Toen dat uitbleef begonnen mensen te zuchten, te schuiven op hun stoel, ze strekten hun nek om over de stoelen naar de monitor die al de hele reis op zwart stond of naar buiten te kijken, maar de meesten doken dieper weg in hun telefoon. Ze las eens in een interview met iemand die door een operatie als volwassene voor het eerst kon horen, dat hij nog het meest verbaasd was dat de zon geen geluid maakt.
De aardbeving zelf maakte geen geluid. In het vlakke, lege landschap kwam het enige geluid van een paar gillende passagiers. De schok duurde maar heel even. Toen het stopte keken de mensen elkaar aan en begon iedereen te praten. De vrouw tegenover haar zei: ‘Dat was een aardbeving, dat was een aardbeving.’ En vervolgens een variant: ‘Was dat een aardbeving?’ ‘Ja,’ zei ze, ‘dat was denk ik een aardbeving.’ De vrouw droeg een dikke wollen mantel in de ongebruikelijke oktoberwarmte. De herfst was begonnen met regen en korte dagen, maar de kou liet op zich wachten. De lauwe warmte maakte haar misselijk en ongedurig. De vrouw zat op het puntje van haar stoel en trok kouwelijk de voorpanden van haar jas dichter om zich heen. Ze deed haar denken aan haar zusje; de magere nek, de strakke kaaklijn, de schrale, kleine handen. Een verzorgde beheersing die de kwetsbaarheid niet kon verbergen. Ze had eens tegen haar gezegd: Mensen willen niet dat je slimme dingen zegt. Ze gaf de indruk van iemand die wilde ontsnappen en wist dat ze geen hulp zou krijgen. Ze stelde zich voor dat haar zusje achter het stuur zat van een brede, donkergroene of donkerblauwe auto, hoog op de wielen met beige leren bekleding, en terwijl ze soepel invoegde keek ze door haar achteruitkijkspiegel naar de vastgegespte peuter in het kinderzitje op de achterbank. Een glanzend bruin kind met zwarte krullen en lange wimpers, met gouden knopjes in de oren en een gouden armbandje om de plooien van de mollige polsen, dat gemoedelijk met haar benen in de lucht zwaaide en over een houten bijtring in haar vuistjes kwijlde. Ze had haar al jaren niet gezien, misschien was er geen baby. Maar als die er wel was wist ze dat de baby er zo zou uitzien, zoals zijzelf toen ze klein was. Een mooi, goedlachs kind, zo levendig en gaaf, dat iedereen met haar wilde spelen, over de wang aaien, iets aan haar wilde geven. Een kind waarbij ze altijd bang was dat iemand het mee zou nemen, haar alleen achterlatend, en dat ze nooit zou omkijken en iedereen blijmoedig zou vergeten bij nieuwe mensen die voor haar zorgden.
De bruiloft was in een art-decovilla aan de Franklin Rooseveltlaan geweest waar tijdens de oorlog nazi’s waren ingekwartierd. Het overvloedig vriendelijke personeel zorgde voor vlekkeloze, organische transities. Na het diner vertrokken de oudere mensen, de overgebleven gasten werden naar een schemerige balzaal met glimmend parket en symmetrisch geaderde marmerpanelen geleid. Overal waren planten. Het groen hing in kostbare overvloed en smaakvolle chaos uit bakken langs de muren en in opgetakelde stellages van het plafond met mist eroverheen als op een chique groenteafdeling. Er waren fluwelen zithoeken, dienbladen met kannen sap in alle kleuren. Er liepen jonge mensen rond, exotisch en urbaan-blasé. Hippe, magere Zuid-Koreaanse kunstenaars, Nigeriaanse dansers, Chinese uitwisselingstudenten die als echt werk gruizige video-installaties maakten in de esthetiek van het vroege millennium, met hun kunstenaarscollectief tijdelijk leegstaande panden vulde van verveelde erfgenamen met een onroerendgoedportefeuille of compacte alinea’s prozapoëzie schreven, serveerden hier kunstige waterijsjes en wijn. Ze was vertrokken toen uitgelaten maar discreet de vliegerpapierenenvelopjes met drugs rondgingen. Ze wist dat als ze in deze kunstmatige jungle drugs zou gebruiken, de ogen en monden van de mensen nog meer zouden gaan lekken en haar geest zich los zou maken en alleen nog maar met diepe walging naar haar lichaam onder haar zou kunnen kijken zonder dat ze bij machte was om terug te keren.
In de lobby van het hotel herkende ze een andere gast van de bruiloft, hij vroeg of ze nog wat wilde drinken aan de bar. Ze vond het aantrekkelijk dat hij kaal was en daar schijnbaar niet om gaf. Hij had brede kaken en achter een ronde bril met zilverkleurig montuur witblonde wimpers die afstaken tegen een ruw-effen roze gezicht met lippen in dezelfde kleur als zijn huid. De knappe man vertelde over twee zussen die hij beiden het hof had gemaakt. Ze begreep eerst niet waarom hij dat vertelde en toen wel. Hij had de charme van iemand die deed waar hij van hield, met succes. Hij droeg een trouwring en ze had niet direct besloten op de uitnodiging in te gaan. Zijn bureau ontwierp wereldwijd nieuwe bestemmingen voor monumentale gebouwen en industrieel erfgoed. Gashouders werden publieke zwembaden, voormalige gevangeniscomplexen groene stadswijken met luxeappartementen, wapenfabrieken veranderden in hippe kunstinstellingen.
De vrouw kijkt vaak weg, in een poging haar verlegenheid met koelheid te verhullen. Als haar zwarte irissen met dofblauwe rand dan naar één kant flitsen ziet hij de binnenste hoek van haar oog. Dat oog dat wegkijkt om te doen alsof het niet kijkt toont het rode binnenste van de traanbuis waar het netwerk van aders in het wit zich steeds fijner vertakt. De diva’s van de stomme film moesten absoluut helder oogwit hebben, als vers gekookte eieren. Die bijna onsmakelijk vochtig glanzende ogen trekken hem aan. Onverhuld kwetsbaar, stom en dierlijk. Denkt ze echt dat ze zich tegen de blikken van mensen kan beschermen door weg te kijken? Door desinteresse te veinzen? Van een vrouw van haar leeftijd had hij verwacht dat ze zou weten dat je kwetsbaarheid alleen kan verbergen door het elders te veinzen. De botte weigeraars geven zich doorgaans het meest naïef bloot; ze weigeren alleen wat ertoe doet.
Ze had de bruid het afgelopen decennium een paar keer per jaar gezien omdat ze in een gezamenlijke groep studievrienden zat, maar nooit alleen. Ze had geen ontzag en voelde zelfs geen afgunst voor rijkdom en toch probeerde ze het gevoel van zich af te schudden dat door armoede en precariteit een volwassen leven altijd onbereikbaar zou blijven. Tijd snelt iedereen vooruit. Tijdens het diner zat ze tegenover een Oostenrijker met een Britse tongval in een blauw linnen bloes die het blauw van zijn ogen deed oplichten. Zijn halflang bruine haar was naar achteren gekamd als van een artistieke, aristocratische negentiende-eeuwer en toonde het eerste grijs. Hij zei: ‘Ik woon sinds kort aan Avenue Paul Deschanel, heel mooi, dicht bij het park. Hiervoor woonde ik in Rome. Ja, dat mis ik wel van Rome, dat je daar op elke straathoek goede koffie hebt, voor een euro als je het staande opdrinkt. Dat was wel even schrikken hier, de prijzen en de slechte koffie ‘s ochtends in het café bij de krant.’
Ze vraagt naar zijn werk.
Hij vertelt dat hij voor de VN werkte. Welke afdeling? De afdeling die toeziet op de bestrijding van honger, het globale voedselprogramma in noodgebieden.
‘Dus je moest ervoor zorgen dat voorraden eten van de ene plek op de andere terechtkomen?’
Hij lacht. ‘Je zit er niet ver naast. Het meeste noodvoedsel is rijst of bonen, ik moest zorgen dat er middelen zijn om te koken op de plekken waar het voedsel wordt afgeleverd. Veel mensen koken nog steeds op houtvuur in slecht geventileerde ruimtes. Het is verschrikkelijk slecht voor de longen, maar omdat het traditioneel is, doen mensen het nog steeds zo. Ik deed onderzoek naar alternatieve, schone manieren van koken. Gas, maar ook zonnepanelen. Op den duur is het deprimerend werk, want er lijkt, uiteindelijk, nooit iets te veranderen. Ik heb heel Afrika gezien. Ik zat in Mauritanië,’ — hij laste een pauze in om te zien of we enig idee hadden waar dat ligt — ‘bij Westelijk Sahara, daar is drank verboden dus alle ontwikkelingshulpmensen smokkelen drank naar binnen. Er werd de hele tijd gepraat over drank, zat ik daar als een tiener met een groep Italianen te drinken in een kamer zonder ramen. Ja, het is heel moeilijk zo geïsoleerd op een compound en tussen de ellende, veel mensen raken gedesillusioneerd of worden alcoholist. Maar daartegenover staat het prachtige appartement in Rome met uitzicht op het forum. Dat is de goede kant van het werk, daar kun je weer opladen. Maar als je te lang daar werkt verlies je alle hoop.’
‘Wat ga je nu doen?’
‘Ik weet het niet, ik ben net terug.’
Vermoedelijk zou hij binnenkort bij de EU als duurzaamheidsconsultant beginnen. Waarschijnlijk was hij teruggekeerd om een gezin te beginnen. Het idee fladderde even op en meteen besefte ze dat ze te oud was en bovendien niet uit het juiste milieu. Iets meer dan een jaar later zou ze hem op straat tegenkomen met een vrouw, een jaar of tien jonger, mager en vitaal zonder make-up met een diploma van een prestigieuze universiteit. Dat werd direct genoemd omdat ze elkaar daar op de een of andere manier hadden ontmoet. Ze liepen achter een kinderwagen, de baby had diezelfde blauwe ogen en lag onder fijne wit katoenen lakens en een dekentje van kasjmier. De moeder schoof het mutsje uit de ogen van de baby en het dekentje omlaag, terwijl ze vertelde dat ze geen haast had weer aan het werk te gaan. Hij liep er stralend naast, innig tevreden met het vaderschap bij elke onhandig toeschietelijke maar onafgemaakte beweging in de richting van de baby. Aan het einde van het diner was hij opgestaan en vertrokken zonder een vraag te hebben gesteld aan zijn tafelgenoten.
Ze was aangekomen op de bruiloft met een gevoel van angst, alsof iemand haar had laten schrikken en de hartkloppingen en knoop in de maag nooit waren weggeëbd, maar ze kon geen oorzaak vinden. Op weg van het station naar het hotel om in te checken voordat ze naar het feest zou gaan, kwam ze op straat een vrouw tegen. Ze was aan het bedelen, of haar ogen vroegen om iets. Niet om begrip of compassie. Haar huid had een vitale glans, glad en soepel — waterdicht was het gevoel dat in haar opkwam. Vanuit de verte dacht ze dat de vrouw oud was, maar toen ze dichtbij kwam en haar in het gezicht keek, zag ze dat ze ongeveer even oud waren. Ze had diepe, donkere kerven in haar wangen, in die mooie huid. De manchetten van haar jas hadden een vettige, donkere rand. Ze was niet opdringerig maar wel aanwezig, de mensen vermeden haar. Ze vroeg zich af waar dat leven begonnen was en hoe het zich ontrold had in de afgelopen decennia met grootouders, ouders, broers, zussen en kinderen. En hoe een leven ver weg begonnen, zich nu hier bevond, alleen. Ze voelde een rilling van afschuw, omdat ook een deel van haar geschiedenis ergens ver weg was begonnen en daar niets van was overgebleven, en nu kijken ze elkaar aan op dit continent waarvan ze kon denken dat ze er thuis was als ze even niet oplette. Ze keek door een spiegel zonder glas — onder haar donkerblauwe mantel, wollen pantalon en leren schoenen. Zonder de bagage die zo verpakt was dat het duidelijk was dat het niet al haar bagage was, maar slechts een deel, weggedragen uit een warm en droog appartement elders. Als de ene vrouw de leugen was, was de andere dan de waarheid? Welke waarheid? Dat ze zich ondanks haar Europese burgerschap aan de aarde vastklampte alsof geen diploma, baan of spaarrekening haar van de elementen en de schikgodinnen zou kunnen redden? Als ze echt zo bang was had ze wel een man gevonden, een baby zodat hij niet meer weg kon, zelfs als hij onvermijdelijk vreemdging, een huis met hypotheek als de eerste trede op de ladder van later alleen nog maar beter, dacht ze. Onthulde haar eenzaamheid de onwaarheid van haar existentiële angst of slechts dat ze niet zo goed was in zich aanpassen aan deze wereld als de nette, stemmige kleding deed vermoeden? Ze wist dat de vrouw haar zus was en dat ze niet voor haar gezorgd had om zelf te overleven en dat het de vraag was of dat haar overlevingskansen had verhoogd.
Had ze niet de beangstigde kaalheid van de wereld veroorzaakt door niet voor haar te zorgen? Ze wilde haar niet zien, niet in haar buurt zijn. Ze was doodsbang dat ze haar blik zou opvangen en dat ze zou pleiten voor haar leven, zoals we allemaal doen op onze eigen wijze zelfs zonder het te weten. Volgens Simone Weil is het enige onvervreemdbare aan de mens zijn plichten, niet zijn rechten. Wat zouden de universele plichten van de mens zijn?
In de hotelbar flonkerden de flessen drank op tere glazen planken tussen messing buizen in de koele spiegel daarachter. Het tapijt was dik en dieprood, de bar van glanzend hout, er waren geen ramen, een paar gasten spraken op gedempte toon met elkaar. Een man in wit linnen pak met wit haar waar je de levervlekken doorheen zag schemeren en een tremor in de fijne, bleke handen boog zich vertrouwelijk naar de vrouw tegenover hem over het lage tafeltje tussen twee diepe fauteuils. De ogen werden getrokken naar de diepe poelen schaduw boven haar elegant gewelfde sleutelbenen. Ze droeg dieprode lipstick die bijna zwart leek in de schemerige hoek, een lage mouwloze jurk en een sjaal van stijve, glanzende wilde zijde. Ook zij boog zich voorover naar de man, alsof ze samen waakten over een vlam en haar steile haar bewoog loom als zware franje in de wind bij elke beweging. De barman politoerde glazen met een smetteloos witte doek, het haar golfde onder de even smetteloze manchetten over de polsen en verscheen weer bovenhuids tussen de knokkels. Hij hield de glazen om de paar draaien met de doek theatraal in het licht. Ze keken naar hem terwijl ze praatten. Ze had daar willen blijven zitten, samen kijkend naar de barman, badend in zijn aandacht. Hij praatte open en geïnteresseerd met haar in de anonimiteit van het hotel. Ze vroeg zich af of ze ooit nog die diepe naaktheid van lust — was het liefde? — zou voelen die je het gevoel geeft dat je iemands ziel bijna kan aanraken als je je nog maar een millimeter meer zou kunnen openen. Nabijheid en verlangen naar nabijheid dat alleen vervuld kon worden door onderwerping. De paradoxale overtuiging dat je dieper in het lichaam van de ander zou kunnen komen door je eigen lichaam nog verder te openen. Nachten die je in de soezerige namiddag op kantoor plotseling scherp voor ogen stonden als scènes belicht door een stroboscoop op een dansvloer, stilte en ledematen in monsterlijke kluwens.
Ze hadden de deur van haar hotelkamer geopend en om de beurt de badkamer gebruikt. Plotseling duizelig had ze nog maar net het bed gehaald, ze probeerde na te gaan hoeveel ze gedronken had. Veel. Al vanaf een uur of vier was ze aan het drinken. Ze waren onder de dekens geschoven.
Ze werd wakker in de benauwd warme hotelkamer waar de ramen niet open konden, waar de lakens stijf en glad waren, waar de sporen van voorgangers waren uitgewist maar net niet, zodat je niet wist welk oppervlak te vermijden. Naast haar onder het witte laken rees de berg van de man, met de rug naar haar toe. Hij snurkte heel licht in diepe slaap, ze benijdde hem zijn rust, het gaf hem iets gezond kinderlijks. Voordat ze in slaap was gevallen voelde ze haar lichaam van een richel in de eindeloze diepte vallen, na de schok reed ze in haar droom door de stad waar ze geboren was. Ze ging een straat door, het beeld gleed soepel voort, ze was een camera en niet te voet. Ze kruiste trambanen en stoplichten. De stad was doodstil als op een vroege zondagochtend. Rood baksteen en witte vensters, verlate winkels met oude uithangborden, groene relingen. Ze sloeg af richting de rivier en ontdekte een gat in haar herinnering — begon hier de lange laan die zich deelde voor twee Amerikaanse presidenten of was dat eerder, of later? Bij de rivier wist ze weer bij welke brug ze zou uitkomen. Ze ging de ene oever af en herinnerde zich ook het pad langs de andere oever. De wegen in haar hoofd splitsten zich, ze ging tegelijkertijd richting buitenwijken en centrum. Ze ging langs het station, ze reed langs kanalen en grachten. Wat als er een bom op deze stad zou vallen, en nog een en nog een? Wat als de structuur van de straten uiteengereten zou worden? Wat als van de brug alleen nog de bakstenen steunpilaren met stengels priemend metaal overbleef? Ze zag die schets van Dürer, van een vlak landschap in gewassen inkt met in de verte zwarte kolommen van wolkbreuken. Haar vader zei eens: Ik weet de weg niet meer in de stad, op sommige plekken ben ik al zo lang niet meer geweest. Ze kon zich niet voorstellen hoe ze ooit de weg zou kunnen vergeten op deze paar vierkante kilometer aarde. Elke stad is gebouwd op de lagen puin van zijn voorgangers, een compositie van herinnering en tijd, nieuw en oud, maar, uiteindelijk, allemaal tijdelijk. Wat zou er terugkomen nadat alle bruggen waren gebombardeerd? Nadat de modernistische flats door precisiebombardementen gruisloos door hun eigen vloer waren gezakt? De levendige promenades leeg, de wijken puin en puin en puin en af en toe een façade met lege oogkassen van ramen. En daar, plotseling, een opengerukte slaapkamer met bed en nachtlampje en op de muren bruine vetvlekken rond lichtknopjes, krijtstrepen en stickers. Alsof een god met poppen had gespeeld en verveeld was vertrokken.
Haar lichaam deed zeer, ze voelde zich koortsig. Ze had spierpijn in haar schouders, haar borsten voelden beurs, haar kut branderig. Er zat een blauwe plek op haar scheen, die er eerder niet was, ze kreeg niet snel blauwe plekken. Haar mond was droog, ze had een vieze smaak. Ze douchte snel, verzamelde haar spullen en maakte hem wakker om zo ver mogelijk van hem vandaan, vanuit de deuropening, te zeggen dat ze haar trein moest halen. Ze glimlachte vriendelijk en vertrok voordat hij helemaal wakker was.
De intercom kraakte, de conducteur zei dat we wellicht hadden gemerkt dat we stilstonden en dat er een wisselstoring was, excuus voor de vertraging. Na een poosje kwam hetzelfde bericht en daarna trok de trein weer op, zonder bericht. Ze hadden maar een halfuur stilgestaan in het weiland. Ze arriveerde thuis. De stad stond er nog steeds en ze probeerde zich te verzoenen met het besef dat elk organisme verandert, en dat die verandering geen verraad was aan haar persoonlijk. Ze was gehecht aan haar huis met een misselijkmakende, beangstigende afhankelijkheid. Een slakkenhuis met iets slijmerigs erin. Een vanzelfsprekende arrogantie tegenover nieuwkomers, irritatie over toeristen die op de weg liepen en uitwisselingsstudenten die bezoekende vrienden bezitterig rondleidden langs hun favoriete plekken. De mensen die in deze stad geboren en getogen waren, werden verdrongen en hielden zich tegelijkertijd hooghartig gescheiden van de mensen die later kwamen. Ze dacht dat ze in elke andere stad waar ze ooit zou wonen, nog steeds een bewoner van deze stad zou zijn. Een zwarte, boomlange man met pafferige ogen die hem op een slaperige kleine jongen deden lijken, liep met een gewatteerde deken rond de schouders voorbij. Ze kijkt net langs hem heen, want ze kent hem nog van de basisschool en ze weet dat hij haar ook herkent.
Wat ze zich zal herinneren van deze nacht was de weldaad van zijn onverdeelde aandacht die avond in de hotelbar. Hoe hij luisterde zonder agressie of ongeduld, zonder neerbuigendheid, zonder met zijn telefoon te spelen, zonder met zijn ogen andere vrouwen in de ruimte af te tasten. Ze dacht, heel even: misschien is het lichaam niet de enige weg naar de ziel. Ze las in de krant over een man die vriendinnetjes van zijn dochter drogeerde met een slaapmiddel in hun chocolademelk. De meisjes herinnerden zich niets, maar later vond de politie beelden die de vader had gemaakt in keurig gedateerde mapjes op zijn computer. In het krantenbericht zeiden de ouders van een slachtoffer blij te zijn dat er in ieder geval filmmateriaal was, want niet alleen had de man hun dochter misbruikt, hij had zelfs haar herinneringen afgenomen. Die ouders verkozen de waargenomen gruwelijkheden boven de ingebeelde, de nooit herinnerde. ¶
Poëzie
De tuinen
Essay
Scheppen in autonome grond
Poëzie
Gedichten
Essay
Mozaïek en kiemcel
Verhaal
Gedeelde grond
Poëzie
Oden in de spooktuin
Essay
Verlangen naar gezamenlijkheid
Poëzie
Hagen
Essay
Met Otto in De Tuinen van de Egel
Poëzie
Missa botanica
Beeld
Garden
Essay
Albidas
Verhaal
Onderverlicht
Poëzie
Stillevens
Essay
De zwijgzame vulkaan
Poëzie
Naar het noorden
Stripverhaal
Closed due to weather
Beeld
Oproep van de tuinders
Beeld