1)
Een supermarkt is niets meer dan een kleurig waas van logo’s en plaatjes. Soms, als ik lang genoeg rondjes loop, vind ik wat ik zoek.

2)
Als ik even niet op ze let vlijen mijn armen zich tegen mijn ribbenkast, hun hoofden — mijn handen — gebogen. Af en toe aaien ze elkaar.

3)
De oplader van mijn oude laptop maakte zo’n lawaai dat ik hem ‘s nachts altijd uit het stopcontact haalde om te kunnen slapen. Mijn toenmalige vriendin kon het pas horen toen ik hem vlak naast haar oor hield. ‘Ja, nu je het zegt,’ zei ze, ‘het klinkt inderdaad alsof iemand een nat washandje tussen zijn tanden heeft geklemd en het water eruit probeert te zuigen.’

4)
Toen we samen op reis waren heeft ze het eenkeer bijna uitgemaakt omdat ze er klaar mee was dat zij steeds alles moest uitzoeken. Ik wilde wel helpen, maar tegen de tijd dat ik het bordje met de vertrektijden had gevonden in de chaos van teksten en mensen, stond zij al te wachten bij de trein.

5)
Ik kan me terugtrekken in mijn achterhoofd, dat vind ik zelf een van mijn meest waardevolle vaardigheden.

6)
Moderne muizenvallen zijn zo gemaakt dat je je vinger erin kunt stoppen zonder dat het echt pijn doet. Het nadeel is dat de muis niet meteen sterft. Meestal breken ze alleen hun pootjes en komen ze de hele nacht vast te zitten. Ik heb een tijd in een studentenflat gewoond waar we een muizenplaag hadden. Ik was vaak de enige in de gang die niet bang was voor bloed, dus werd me iedere maand wel een paar keer gevraagd of ik ze kon komen doden. Ik plette ze onder een jampotje en gooide de lijkjes in de vuilnisbak. Mijn psycholoog zei dat er een goede soldaat aan mij verloren is gegaan.

7)
Ik slaap al mijn hele leven met dezelfde knuffelbeer. Af en toe valt haar neus eraf.

8)
De tijd is voor mij niet zozeer een nette lijn, maar meer een kronkel die ik af en toe tegenkom.

9)
In mijn hoofd waait het altijd. Als ik wind mee heb — als ik iets moet doen waar ik in gedachten al mee bezig was — kan ik bijna alles. Als ik wind tegen heb kan ik bijna niets.

10)
Andere metafoor: Ik ben als een superzwaar containerschip. Moeilijk op gang te brengen en moeilijk af te remmen. Als iemand me vraagt om heel even te stoppen met waar ik mee bezig was, moet ik al dat staal tot stilstand brengen en maar hopen dat de motor daarna weer op gang komt.

11)
Verveling is me vreemd. Ik heb een keer drie dagen in een politiecel gezeten en dat vond ik best prima.

12)
Als iemand me vraagt hoe het gaat kan ik niet antwoorden.

13)
Als ik zeg dat ik niet kan antwoorden bedoel ik niet dat het slecht gaat en ik dat niet wil zeggen.

14)
In de wereld-tussen-mensen ben ik een blinde die uit zijn hoofd heeft geleerd waar alles staat, zodat ik nergens tegenaan loop en iedereen denkt dat ik kan zien.

15)
In het eerste jaar van mijn studie filosofie zat ik bij een lange jongen met bruin krulhaar. We waren te laat en besloten een stukje af te snijden via het achterste trappenhuis van de Oudemanhuispoort. De trap was steil en de jongen liep een beetje stijf, dus vroeg ik of hij dat weekend zijn enkel had verstuikt. Zonder om te kijken antwoordde hij: ‘Nee, ik ben geboren zonder onderbenen.’ Later tilde hij de zoom van zijn spijkerbroek een stukje omhoog om zijn protheses te laten zien.

16)
Autismespectrumstoornis (ass) is de formele benaming van autisme volgens de dsm-5. De term ‘spectrum’ wordt hierin gebruikt om de variatie in aard en ernst van de symptomen aan te geven. Met de term ‘autisme’ worden ook de diagnoses uit eerdere edities van de dsm bedoeld: autistische stoornis (ook wel klassiek autisme of kernautisme genoemd), stoornis van Asperger en pdd-nos. Deze diagnoses worden sinds de ingebruikname van de dsm-5 op 1 januari 2017 niet meer als aparte diagnoses gesteld. In de dsm-5 worden twee domeinen genoemd waar­binnen autisme zich kan manifesteren:

a.
Beperkingen in de sociale communicatie en sociale interactie. (Kernsymptomen: Deficiënties in de wederkerigheid, in de non-verbale communicatie en in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van relaties.)

b. 
Beperkt, repetitief gedrag (waaronder specifieke interesses en abnormale onder- en/of overgevoeligheid voor zintuiglijke prikkels). (Kernsymptomen: Stereotiepe motoriek, gebruik van voor­werpen of spraak, hardnekkig vasthouden aan hetzelfde, gefixeerde interesses en hyper/hyporeactiviteit op zintuiglijke prikkels.)

17)
Het woord ‘autisme’ is afkomstig van het Griekse woord autos, dat ‘zelf’ betekent. Autos verwijst naar de in zichzelf gekeerde indruk die mensen met autisme lijken te maken.

18)
Je moet zeggen: ‘mensen met autisme’, omdat het gegeven dat iemand een mens is prominenter moet zijn dan het feit dat diegene autisme heeft.

19)
Je moet zeggen: ‘autistische mensen’ of gewoon ‘autisten’, omdat autisme een essentieel deel uitmaakt van wie iemand is, en niet iets is wat diegene alleen maar heeft.

20)
Theorieën (selectie):

a.
Bruno Bettelheim zag de gelijkenis tussen autisten en kampgevangenen tijdens de Tweede Wereldoorlog die niet meer spraken, niemand meer aankeken en steeds dezelfde dingen deden, en dacht dat autisme een traumareactie moest zijn die werd veroorzaakt door afstandelijkheid van de moeder.

b.
Volgens Simon Baron-Cohen, de neef van Brüno en Borat, komt autisme voornamelijk voort uit iets wat hij noemt mindblindness, het onvermogen om aan subtiele veranderingen in lichaamshouding en gezichtsuitdrukking af te lezen wat anderen denken en voelen. Hij schijnt hier heel veel bewijs voor te hebben.

c.
Volgens de Intense World Theory is autisme in de kern een vorm van hypersensitiviteit en/of hyperempathie. Omdat autisten de emoties van anderen op zo’n intense manier ervaren moeten ze zich er wel voor afsluiten, waardoor ze van buitenaf gezien afstandelijk en onverschillig overkomen.

d.
De lacaniaanse psychoanalyticus Leon Brenner stelt dat autisme voortkomt uit een fundamentele weigering om de veelvoudigheid van het Zelf te representeren tegenover de Ander in de onvermijdelijke simplificatie van de talige Getuigenis.

e. 
Na een feest in Amsterdam probeerde ik een keer een meisje te versieren dat ervan overtuigd was dat haar autisme niets meer was dan een vertraagde persoonlijke ontwikkeling. Dat verklaarde voor haar waarom ze vroeger moeite had met andere kinderen, vaak op zichzelf was en lang vasthield aan bijvoorbeeld knuffels of speelgoed. Nu had ze haar achterstand ingelopen en was ze naar eigen zeggen volkomen normaal. Ze beheerde een doorlopend experiment met een groot vat xenon waarmee ze probeerde aan te tonen dat donkere materie echt bestaat.

21)
Mijn psycholoog zei dat hij het jammer voor me vond dat ik net niet meer onder de dsm-4 kon worden gediagnosticeerd, dan had ik zonder meer asperger gekregen. ass vond hij te vaag.

22)
Mensen zeiden alle dingen die mensen zeggen:

a. 
Iedereen heeft tegenwoordig autisme.

b.
Je ziet er niet autistisch uit.

c.
Iedereen is wel een beetje autistisch.

d.
Er zitten vast ook positieve kanten aan.

e.
Autisme is ook maar een label. Je moet je er niet zoveel van aantrekken.

f.
Je bent alleen maar autistisch omdat je denkt dat je autistisch bent en je je er onbewust naar bent gaan gedragen.

23)
Mijn psycholoog zei dat mensen met autisme niet kunnen generaliseren. Als je een niet-autistisch kind meeneemt naar de groenteboer en laat zien hoe je met geld iets kunt kopen, dan begrijpt het dat het bij de slager en de bakker hetzelfde werkt. Bij een kind met autisme moet je het iedere keer, in iedere nieuwe context, opnieuw laten zien.

24)
In de map voor bij de oudercursus stond: ‘Houd de cliënt voor dat masturbatie een volwaardige uiting is van seksualiteit. Voeg hier eventueel aan toe dat als je seks hebt met jezelf, je in ieder geval zeker weet dat je je partner kunt vertrouwen.’

25)
Mijn neef R. is autistisch. Toen hij een baby was keek hij niet naar het gezicht van zijn moeder, maar naar de gloeilamp aan het plafond. Nu nog steeds kijkt hij je nauwelijks aan en praat hij altijd door, op hetzelfde volume, ongeacht of je hem kunt verstaan. Vroeger was hij altijd mijn lievelingsneef. Hij wist veel. Ik wilde veel weten. Nu is hij vijfendertig en werkt hij al zijn hele volwassen leven bij de plantsoenendienst. Hoewel het niet direct noodzakelijk was, heeft hij de Latijnse namen van alle planten in zijn hoofd opgeslagen. Dit jaar is hij voor het eerst zonder zijn ouders met de trein gegaan.

26)
Mijn nicht M. is autistisch. Ze heeft een IQ van zeventig. Eigenlijk lager, maar omdat je dan niet in aanmerking komt voor de meeste behandelingen, heeft haar psycholoog haar testresultaten vervalst. Ze is bijna veertig en woont bij haar moeder. Ze kan niet zelfstandig koken, wassen of wat dan ook. Haar enige vaardigheid is dat ze ongeveer vijftien minuten kan doen alsof ze begrijpt wat er gezegd wordt. Afgelopen zomer zei ze (reconstructie):

a.
‘De Satan heeft het syndroom van Asperger.’

b.
‘Hieraan ontleent hij zijn Duistere Macht.’

c.
‘Met die Duistere Macht houdt hij Opmeer in zijn greep.’

d.
‘Ik heb ook het syndroom van Asperger, maar ik wil naar het Licht.’

e.
‘Daarom gaat de Satan mij aan stukken snijden.’

27)
Voordat ik iets kon zeggen keek ze me aan, recht en helder, en zei: ‘Jij hebt ook het syndroom van Asperger.’ Voor zover ik weet had niemand haar dat ooit verteld.

28)
Mijn moeder en mijn tante probeerden steeds van onderwerp te veranderen, maar als je denkt dat de Satan op de stoep staat is het niet direct relevant wie er nog een kopje thee wil.

29)
M. was via de achterdeur naar buiten gegaan en in de auto gestapt bij een vreemde man, die haar gelukkig netjes heeft teruggebracht. Ze kon niet worden opgenomen bij de crisisdienst.

30)
Mijn moeder is niet autistisch. We hadden vroeger bijna altijd ruzie. Ik vroeg haar een keer: ‘Mam, heb je je nooit afgevraagd waarom ik toen steeds zo boos was?’ Ze antwoordde: ‘Nee, je was zo afstandelijk, dus ik had er nooit over nagedacht.’ Ze is vorig jaar naar een psycholoog gegaan, maar die zei dat het op haar leeftijd geen zin meer heeft om een diagnose te stellen. Ze heeft zich daar toen zonder meer bij neergelegd.

31)
Mijn vriend K. is autistisch. Ik ken hem nu al zestien jaar. School was niet zijn ding, maar hij heeft zichzelf leren programmeren in C en heeft nu een goede baan en een huis in Groningen. Dankzij hem weet ik dat kabeltelevisie in Amerika op vierentwintig beelden per seconde wordt uitgezonden, maar in Europa op vijfentwintig. Hij heeft zijn geïmporteerde blu-rayversie van alle seizoenen van Avatar: The Last Airbender handmatig, frame voor frame, aangepast en Nederlands ondertiteld. Iedere zaterdag, als hij weer een nieuwe aflevering klaar had, ging hij langs bij zijn oom en tante, die de serie wel graag wilden zien maar niet zo goed Engels konden verstaan. Ik heb zelf ook een paar keer meegekeken.

32)
Zijn nichtje J. is autistisch. Ze is jong gediagnosticeerd. Zelf wil ze er niets van weten, toen niet en nu niet. Ik kon het ook niet meteen plaatsen. Ze is hypersociaal, kan niet alleen zijn en heeft meer exen en vriendengroepen dan ik kan onthouden. Ze houdt van reddingszwemmen, kamperen, Dungeons & Dragons, rotsklimmen, dieren, fietsen en werktuigbouwkunde.

33)
Ze vertelde me dat ze toen ze klein was een stuk of honderd figuurtjes van Littlest Pet Shop had verzameld. Niet omdat ze die nou zo leuk vond, maar op de verpakking stond steeds: ‘verzamel ze allemaal’. De schoenendoos staat nog steeds onder haar bed.

34)
Haar moeder — de tante van K. — had voor de vierde keer kanker. Ze dronk iedere ochtend een flesje Yakult. J. zei een keer tegen haar dat klinisch was aangetoond dat je net zo goed een shotje Fristikunt nemen. Toen ze het artikel liet zien antwoordde haar moeder dat het dan misschien niet werkte, maar dat ze het toch wilde blijven drinken. J. werd boos op een manier die ze zelf later niet helemaal kon uitleggen.

35)
J. houdt haar polsen tegen haar borst als ze loopt, net als ik.

36)
Tijdens de zomer dat we samen waren deden J. en ik geen enkele moeite het te verbergen. Haar tandafdrukken stonden in mijn nek en ik heb twee keer gekookt voor haar ouders. Toen K. langskwam zaten we de hele avond op de bank tegen elkaar aan. Toch heeft hij nooit ergens naar gevraagd. Vorige week heb ik het hem terloops verteld. We hebben er drie zinnen over gesproken.

37)
Ze begon een keer te huilen toen ze over haar moeder vertelde. Ik legde mijn hand op haar schouder in een poging haar te troosten. Later, toen we elkaar niet meer zagen, zei ze over de telefoon dat dat voor haar toen heel gespeeld aanvoelde. Ik kon alleen maar toegeven. Ik heb nog nooit iemand meegemaakt die zo gemakkelijk door me heen keek. Of misschien is ze gewoon de enige die eerlijk genoeg was om het te zeggen.

38)
We hebben het één keer over autisme gehad. Lachend pakte ze een van de flesjes Yakult van haar moeder uit de koelkast en zette het op tafel voor me neer. ‘Dit is ook niet echt, maar als je het lekker vindt moet je het vooral gewoon blijven drinken.’

39)
In de klinische psychologie worden diagnoses in de eerste plaats gesteld aan de hand van een praktische noodzaak. De centrale vraag is of er sprake is van lijdensdruk: heb je ergens last van, op zo’n manier dat het jouw levenskwaliteit en jouw functioneren in de maatschappij aantast?

40)
Het is dus heel goed mogelijk dat ik, als mijn leven net iets anders was gelopen, nu officieel geen autisme zou hebben gehad.

41)
Mijn psycholoog zei: ‘Autisme is een statische stoornis, die nooit verandert.’

42)
In haar boek Betere mensen bekritiseert de Nederlandse wetenschapsfilosoof Trudy Dehue de neiging van psychologen om de louter descriptieve diagnoses uit de dsm als concrete, zelfstandige fenomenen te presenteren, zoals in de fysieke medische wetenschap. Een oncoloog kan zeggen: ‘Je hebt nog maar drie maanden te leven, want je hebt een hersentumor.’ In dat geval is de hersentumor een tastbare oorzaak, die losstaat van hoe we hem omschrijven. Mijn psycholoog kan niet op dezelfde manier zeggen: ‘Je hebt moeite met informatieverwerking, want je bent autistisch.’ De reden dat hij mij heeft gediagnosticeerd met autisme, is namelijk dat ik moeite heb met informatieverwerking. Hij zou dus net zo goed kunnen zeggen:

a.
‘Je bent autistisch, want je hebt moeite met informatieverwerking.’

b.
‘Je hebt moeite met informatieverwerking, want je hebt moeite met informatieverwerking.’

c.
‘Je bent autistisch, want je bent autistisch.’

43)
Als we dit in het achterhoofd houden en antwoord 41) opnieuw lezen, zei mijn psycholoog hier eigenlijk weinig meer tegen me dan: ‘Je bent zoals je bent.’ Op zich ben ik het hier niet mee oneens, maar zonder het gewicht van een wetenschap erachter klinkt deze uitspraak als een lege tegeltjeswijsheid. Wat betekent dit nog zonder het idee dat autisme een oorzaak is, een echt fenomeen, en niet alleen maar een zelfdefiniërend categoriebegrip? De verdinglijking (reïficatie) die Dehue omschrijft is geen misverstand, maar een essentieel onderdeel van de verhouding tussen cliënt en psycholoog.

44)
Autisme is geen antwoord, maar een manier om te stoppen met het stellen van de vraag. Het werkt alleen als je besluit erin te geloven.

45)
Na vijf jaar heb ik het uitgemaakt met mijn psycholoog. Steeds als ik hem vroeg waarom ik ben zoals ik ben, antwoordde hij in algemene termen, in omschrijvingen van hoe het fenomeen autisme er van buitenaf uitziet.

46)
Jelle Bakker, oprichter van het nu wereldberoemde youtube-kanaal Jelle’s Marble Runs, is autistisch. In een interview op rtv Gelderland zei hij: ‘Wat ik zo boeiend vind aan knikkers, is dat ze allemaal uniek zijn. Iedere knikker klinkt anders, rolt anders, voelt anders, ziet er anders uit.’ Toen de interviewer hem aan het einde van het filmpje vroeg of zijn autisme hem helpt bij het bouwen van zijn knikkerbanen, zei hij: ‘Ja, door mijn autisme heb ik namelijk veel aandacht voor details.’ Hij wees naar de miniatuurtribune langs de knikkerbaan. ‘Zo heb ik bijvoorbeeld deze olympische vlam hier neergezet.’ Ik neem aan dat Jelle is verteld dat hij autistisch is, en dat hij daardoor veel details ziet. Op zich klopt dat. Voor de meeste mensen zijn er weinig dingen zo identiek aan elkaar als twee knikkers, maar voor hem zijn ze allemaal anders. Toch geeft hij zelf een ander voorbeeld. Het voor anderen onhoorbaar subtiele verschil in toon tussen twee rollende knikkers is voor hem luid en duidelijk. Zijn aandacht voor ‘details’ bestaat erin dat hij ze niet als details ervaart. Daardoor weet hij niet wat het woord ‘detail’ voor de meeste mensen betekent. Als hem dus gevraagd wordt een voorbeeld te geven, noemt hij iets wat voor hem een detail is. De ironie is dat hij dus precies datgene noemt waarin zijn aandacht voor details niet naar voren komt. Alleen hij kan die knikkerbanen bouwen, maar iedereen had die olympische vlam daar kunnen neerzetten.

47)
J. legde me uit dat als ze eventjes bevroor tijdens de seks, het niet aan mij lag. Ze had wat dingen meegemaakt.

48)
Met K. ben ik een keer tot de conclusie gekomen dat het verschil tussen hem en mij erin zit dat ik geen emoties kan onthouden, en hij juist alleen maar. Het leven is een tekening. Hij onthoudt de kleuren, ik onthoud de lijnen.

49)
K. was altijd atheïst, en heeft een tijdje een vrouwelijk alter ego gehad, maar nadat het was uitgegaan met zijn vorige vriendin heeft hij zich bekeerd tot het katholicisme. Hij gaat nu iedere zondag naar de kerk.

50)
Toen ik zes was duwde mijn neef R. me in een bamboestruik. Hij stak zijn hand in mijn broek. Later zei hij: ‘Daar zat een blaadje.’ 

Ik besloot hem te geloven. ¶

Jan Wester (1995) is schrijver en beeldhouwer. Hij werd geselecteerd voor het Slow Writing Lab van het Letteren­fonds en de Parijsresidentie van deBuren en nam deel aan The Chronicles van Crossing Border. Hij studeert Comparative Literature aan de UvA, en in augustus verscheen zijn debuutroman Koeman.

Meer van deze auteur