Redactioneel
Edie Sedgwick werd geboren in 1943 te Santa Barbara, Californië. Ze groeide op, brandde op en overleed op haar achtentwintigste, graatmager, beeldschoon en steenrijk.
Sedgwick, in 1964 verhuisd naar New York met het doel actrice en model te worden, werd binnen korte tijd beroemd als muze van Andy Warhol. Hij vond in haar een prachtige voormalig debutante uit een gegoede familie die al dat oude geld over de balk smeet, wereldvreemd en haast kinderlijk. Ze was geboren in een nest van olierijkdom en eeuwenlange status, groeide op te midden van paarden, in privéscholen en -klinieken. Tegen de tijd dat ze overleed, waren twee van haar broers al gestorven, een aan zelfmoord en de ander aan hetzelfde soort roekeloze gedrag dat haar ook de das om zou doen.
Warhol liet Sedgwicks haar blonderen en knippen tot dezelfde coupe als de zijne. Ze vertegenwoordigde wat Warhol had willen zijn, waar zijn werk om draaide en wat hij van zichzelf probeerde te maken. Al snel speelde ze in veel films die hij in die tijd opnam, zoals Kitchen en Poor Little Rich Girl, films waarin er weinig op het spel staat en gebeurtenissen nooit plot worden. Warhol zag in dat Sedgwick iemand was waar iedereen naar wilde kijken, ook als ze niets deed, niets was. Ze was een socialite, iemand die onderdeel was van een scene — en daarmee is het ook wel gezegd. Ze was niet productief; ze maakte geen deel uit van de wereld van werk en salaris en alle compromissen die een mens moet sluiten om met zichzelf te leven.
Ze kwam uit zo’n rijk nest dat al die zaken irrelevant waren en ze onvermurwbaar kon doorfeesten tot ze erbij neerviel.
Op den duur verzuurde de relatie tussen Sedgwick en Warhol. Sedgwick had de neiging om mensen te gebruiken en vervolgens af te danken, maar in haar relatie tot Warhol is het niet duidelijk wie met wie brak, of, anders gezegd, wie wie aan het gebruiken was. Volgens één verklaring was het de schuld van Bob Dylan, die Sedgwick beloofde om samen met haar een film te maken en haar aanmoedigde afstand te nemen van Warhol. De film kwam er nooit, maar Warhol zou het als verraad hebben gezien. Een andere verklaring luidt dat Warhol zijn interesse verloor in Sedgwick en nieuwe supersterren begon te smeden. Of was het toch Sedgwick die Warhol overboord gooide, zoals ze altijd op den duur deed met iedereen in haar leven wanneer ze zich ging vervelen? Hoe dan ook kwam haar poging een eigen carrière als actrice te beginnen niet goed van de grond. Naast een paar korte en obscure videoprojecten is er een enkele film uit voortgekomen: Ciao! Manhattan, met de enige beelden van haar die ik tot voor kort nog nooit had gezien.
Toen twee vrienden van Sedgwick in 1966 Ciao! Manhattan probeerden te filmen, gebruikte de hele cast (de regisseurs incluis) zoveel drugs en kwam Sedgwick zo vaak te laat of niet opdagen dat er van het materiaal geen film viel te maken. Vijf jaar later kwamen de filmmakers Sedgwick opzoeken in Californië, waar ze ondertussen naar terug was verhuisd, en werd de film toch afgemaakt, met als noodgreep een flashbackstructuur waarin Sedgwick de eerder gefilmde delen aan elkaar praat. De beelden uit de twee periodes zijn stilistisch volstrekt verschillend. De opnames uit de jaren zestig tonen een tijd van vernieuwing, met zwart-witbeelden van New York waarin Edie zwaar opgemaakt, hip gekleed en uitgemergeld over het scherm danst — vreemd en hoekig, als een Egon Schiele-portret dat tot leven is gekomen. Het is Sedgwick zoals ze beroemd is geworden, in futuristische kleding die het soort optimisme over de toekomst uitdraagt dat alleen welvaart kan opwekken. Ze vertegenwoordigde het beeld dat Amerika had van zichzelf.
In de later gefilmde delen speelt Sedgwick een washed-up socialite (‘Susan Superstar’) met een speedverslaving die elektroshocktherapie ondergaat. Maar aangezien Sedgwick dat zelf in werkelijkheid ook was, is het onduidelijk wat er precies wel en wat niet gespeeld is. Ze mompelt onsamenhangend, ze heeft borstimplantaten genomen die eerder op haar lichaam geplakt lijken dan er onderdeel van vormen, ze is het merendeel van de tijd topless en voor de rest gekleed in parmantige hippiekleren. Het is schokkend om haar zo te zien naast de hoopgevende beelden uit New York. De gekunstelde opzet versterkt het effect: haar leven lijkt in tweeën gesplitst, evenals de tijd zelf, alsof er een onoverbrugbare afgrond is geopend tussen de jaren zestig en de jaren zeventig. Ik zet de film continu op pauze en rek hem daarmee steeds verder uit. Sedgwick overleed kort na de afronding van de opnames aan een overdosis. In de film wordt een krantenbericht over haar dood in beeld gebracht alsof het gaat over haar personage.
Online klagen mensen over de filmmakers, de zoveelste mensen in haar leven die haar zouden hebben uitgebuit in deze film. Dat de neerwaartse spiraal van Sedgwick werd gebruikt door de filmmakers om een edgy portret te maken van de tijd. Maar jezelf uitbuiten is ook een kunst, een die zij beheerste als geen ander.
Als tiener was ik een verzamelaar. Ik beheerde een klein archief. Mijn verzameling bevatte beelden van Edie Sedgwick, welteverstaan alle beelden ooit genomen van Edie Sedgwick, of in elk geval was dat de ambitie. Ik ging naar school, kwam thuis, ik werkte aan een map die ik probeerde aan te vullen met nieuwe beelden, of dezelfde beelden in hogere kwaliteit, als een goede archivaris.
Lange tijd denk ik niet aan de verzameling, tot mijn vader me vraagt of ik nog iets wil hebben van de oude computer voor hij hem weggooit. Ik vind het archief terug, zo’n tien jaar nadat ik eraan was begonnen, en besluit het te kopiëren de volgende keer dat ik langskom. Ik wist dat het iets over mij zei, iets wat ik probeer af te schermen in mezelf, probeer te temperen. Ik wist dat sommige mensen leven om te leven, anderen om te kijken naar dat leven, steeds maar weer te kijken. De volgende keer dat ik mijn vader bezoek en vraag waar de computer heen is, vertelt hij dat de harde schijf is gesneuveld en hij het apparaat weg heeft gedaan.
Een aantal maanden later pitch ik dit stuk, kort daarna verlies ik elk vertrouwen dat ik het kan schrijven.
LF PARIJS, 2023
Toen ik jonger was, vond ik het heel moeilijk om vrienden te maken, om met mensen om te gaan, dat soort dingen. Dus begon ik de hele tijd naar mensen te kijken, naar wat ze doen, hoe ze met elkaar omgaan, hoe ze bewegen, hoe ze praten, om te proberen te snappen hoe dat werkt. Er is iets wat ik niet kan vatten, ik moet begrijpen wat dat is. Dus denk ik er veel over na. Ik denk dat het moeilijk voor me te zeggen is of iets een obsessie is als er niemand is om me dat te vertellen. Als er niemand is die tegen me kan zeggen: je bent hier zo intens over en je denkt er zoveel over na dat het niet normaal is. Omdat het gewoon de manier is waarop ik werk, de manier waarop ik ben tot de wereld.
De eerste keer dat ik naar New York afreis wil ik niet denken aan schrijven, voelt het gênant om ergens heen te gaan voor een stuk dat ik zo hardnekkig probeer te ontwijken. De bomen in het park zijn anders rood en oranje dan ik ze ooit heb gezien. Ik word wakker, kijk naast me en denk: ik ben niet verliefd meer. Ik betaal de helft van zijn vlucht. Wat wilde ik er überhaupt vinden? Ik weet van het bestaan af van beelden van Sedgwick die ik niet eerder heb gezien, maar wat heb ik eraan als ik ze nu ga bekijken? Ik wil niet in dezelfde patronen vervallen.
SCOTTIE HARVEY LOS ANGELES, 2023
Ik ben altijd wel ergens door geobsedeerd. Het is leidend voor me. Het is haast religieus, het heeft een geloofsaspect. En soms, wanneer ik het gevoel heb dat ik nergens door geobsedeerd ben, wil ik obsessief het volgende ding vinden. Als ik niet kan slapen, bijvoorbeeld, ga ik meestal naar Wikipedia en druk ik op de ‘willekeurige pagina’-knop tot ik bij iets aankom wat interessant voelt, waar ik over kan lezen, tot ik er, je weet wel, onderdeel van word.
ALICE BREILLARD PARIJS, 2023
Ik denk dat een deel van de aantrekkingskracht lag in de ingewikkeldheid. De rituelen zijn complex en daarom zijn ze goed. Ik ben op heel, heel jonge leeftijd drugs gaan gebruiken, dus ik loog veel, stal veel en deed veel dingen zonder andere mensen. Mijn drugstraject is een beetje ongebruikelijk, omdat het niet begon met vrienden, waardoor ik als drugsverslaafde nogal geïsoleerd was. Ik was jonger, ik gebruikte medicijnen uit het medicijnkastje en bovendien zag ik er niet uit als een verslaafde. Het is trouwens heel belangrijk dat je er niet uitziet als een verslaafde, want anders word je makkelijker gepakt. Ik zie er zo uit: ik ben schattig en zag er heel kinderachtig uit. Ik zag er niet uit als een verslaafde, wat voor mij deel uitmaakte van het spel. Want zo dacht ik erover: dit is een heel belangrijk spel en ik ben de enige die het aan het spelen is.
De tweede keer dat ik naar New York ga — het is eind juni — ben ik op een punt dat ik mensen vertel: ik heb een burn-out, vooral om me te verdedigen tegen mijn eigen hardnekkige overtuiging dat ik altijd wel door kan. Dat ik tegen mezelf zeg: ik ben een werkpaard, ik kan door. Ik moet me tegen mezelf verdedigen. Scottie, op wier bank ik slaap en wier huis ik amper uit kom, zegt tegen me: Ga gewoon naar wat plekken toe, dan komt de tekst vanzelf. Ik volg haar advies op en ga naar het Chelsea Hotel, waar Edie lange tijd heeft gewoond, ook nadat ze in een heroïnetrip in slaap was gevallen met haar sigaret nog aangestoken en haar hotelkamer had laten affikken. Het hotel is een icoon van het New York van de jaren zestig. De lijst van beroemde kunstenaars die er verbleven is lang — als ze hun huur niet konden betalen, schonken ze een kunstwerk. Nu hangen die in de chic gerenoveerde lobby die tegenwoordig een onderkomen vormt voor toeschouwers, mensen die ergens door het raam naar binnen willen kijken bij iets wat misschien niet bestaat — ‘New York’, ‘de jaren zestig’. Mensen zoals ik.
LF
Ik denk dat ik erg rommelig ben in mijn leven en vaak moeite heb om met veel informatie en dat soort dingen om te gaan. En een obsessie is een manier om mijn hoofd op orde te houden. Dan kan ik me ergens op concentreren en word ik niet overweldigd door alle dingen waar ik mee om moet gaan. En wanneer ik er geen heb, is dat ontzettend deprimerend voor me.
Ik denk dat het mijn manier is om te weten wie ik ben en wat ik wil. Dus het is iets goeds, ik voel me er goed bij. Maar aan de andere kant, ik weet het niet… Het is een beetje alsof je tegen jezelf en je omgeving vecht. Een vrouw in de lobby praat steeds luider in haar Zoomgesprek. Ze draagt Michael Kors en blijft maar doorgaan over het belang van het team en dat ze realistisch moeten blijven over de invloed van dit soort dingen op de energie van het team, het team, het team, totdat ze duidelijk lang wordt toegesproken door haar baas en na enkele minuten roept: ‘What meltdown?!’, ‘I kept that private and…’, haar baas praat verder. Ze mompelt om de minuut ‘I’m sorry’ met gedempte stem.
ALICE BREILLARD
Ik herinner me dat ik een keer bijna terugviel en weer begon te stelen. Ik stal benzo’s, en mijn therapeut zei tegen me: ‘Tja, je bent ook erg angstig. Je zou aan de benzodiazepine moeten gaan.’ En ik had zoiets van: Nou, nee. Absoluut niet. Waarop zij reageerde: ‘Jawel, vraag een recept aan.’ En ik was helemaal weerloos. Hoezo moet ik een recept aanvragen? Nee! Dan haal je alle plezier eruit! En ik herinner me dat ze zei: ‘Nee, dat is het juist. Wat je verslaving voedt, is dat je het in het geheim doet, dus je krijgt een enorme kick van al die kleine obsessieve rituelen van je. Dat is wat goed voelt voor je. Maar als we alle rare rituelen wegnemen en je gewoon medicijnen tegen angst krijgt, zul je waarschijnlijk niet meer het gevoel hebben dat je dit allemaal moet doen.’
En het was grappig, want na die sessie zei ze: ‘Hier is een psychiater, bel hem op.’ Maar dat deed ik niet. Ik had zoiets van: Nee, dat wil ik niet. Ik wil het in mijn eentje in mijn keuken doen. Zo voelt het goed. En in die zin is het interessant, want een deel van de obsessie is niet alleen de verslaving. Want als ik alleen maar een verslaafde was, had ik gewoon het recept aangenomen. Maar er is iets anders. Het voelt persoonlijk.
Op een willekeurige wandeling door een willekeurige straat zie ik een bord voor een tentoonstelling met werk van Warhol, getiteld Thirty are Better than One. Ik twijfel even en ga toch langs de enorme beveiliger naar binnen, denk bij mezelf: ik moet toch iets doen voor dit stuk. Ze vragen: ‘Is this your first time at The Foundation?’ Mijn pas wordt geweigerd, ik geef het meisje achter de balie contant geld zodat ze voor me kan betalen met haar telefoon. Ik geef haar vijf dollar, frummel in mijn zak voor de resterende muntjes, ze zegt: ‘It’s fine. I mean, what’s one dollar?’ Al de hele dag geven mensen mij dingen gratis: mijn koffie was gratis (‘de kassa is al geteld’), bij mijn lunch kwam de jongen achter de bar met een gratis toetje aanzetten (‘je hebt iets laten vallen’). Nu betaalt de medewerker van het museum met haar eigen geld om me er binnen te laten. De tentoonstelling begint boven in het gebouw, de andere bezoekers en ik worden als schapen een lift in gehoed, waar een jongen enthousiast vraagt hoe het gaat. Wat meisjes antwoorden dat het goed gaat, hij zegt: ‘I am honestly so happy to hear that.’ Ik trek wat deuren open op zoek naar de trap, kom direct in een opslagruimte terecht met spullen die achter slot en grendel zouden moeten zitten. Langzamerhand vraag ik me af of ik een cult in ben gewandeld, of dit allemaal nep-Warhols zijn, kunstwerken die hij nooit maakte. Ik zie geen Edie, ik heb een hekel aan bijna al het werk dat er hangt.
SCOTTIE HARVEY
Tot mijn achttiende gebruikte ik geen scheldwoorden. Mijn ouders vloekten haast nooit in mijn bijzijn en het werd gewoon een heel ding. Ik had zeker weten een soort dwangstoornis als kind en dus dacht ik dat als ik zou vloeken — en dat geldt ook voor het woord ‘dom’ en dat soort dingen, ik was zo streng voor mezelf —, ik het gevoel had dat als ik die woorden zou zeggen, er een grote poort zou opengaan en de duivel zou komen opdagen. Ik was niet religieus, maar om de een of andere reden was de duivel erbij betrokken en zou hij mijn hele familie vermoorden. Maar naarmate ik ouder werd, dacht ik: ik hou dit niet meer vol. Omdat ik raar was… Het werd uiteindelijk raar om woorden als ‘bitch’ niet te zeggen, dus besloot ik dat wanneer ik achttien werd, ik mezelf zou toestaan om te gaan schelden.
Dus op de ochtend van mijn achttiende verjaardag werd ik wakker en ik was zo enthousiast dat ik eindelijk kon gaan vloeken, dat het eerste wat ik deed was me uitrekken en zeggen: ‘Fuck.’ En ik had zoiets van: Wauw, hoe dat klinkt, uit mijn mond, is bizar. En ik zei het nog een keer, en nog een keer. En toen kreeg het een erotische lading en, eh… toen heb ik me afgetrokken op het woord ‘fuck’. Gewoon door het woord ‘fuck’ te herhalen.
ERIK ALSTAD OSLO, 2023
Als tiener was ik gek op het videospel Skyrim, zozeer dat ik er volledig door in beslag was genomen. Maandenlang. Mijn dromen speelden zich af in die wereld, wat een soort magische versie van Scandinavië is. Ik was dus in Noorwegen, aan het dromen over een virtueel Noorwegen. Ik weet nog hoe ongelooflijk bevredigend het was dat ook veel van mijn vrienden erdoor in beslag waren genomen, waardoor het spel al onze gesprekken domineerde. Als we ‘s ochtends naar school gingen, wachtte ik op de pauze, zodat we konden praten over wat we de avond ervoor in de videogame hadden gedaan.
Het eerste uur zit je vast in een lineair spel, waarin je van A naar B moet zien te komen. Maar zodra je daar weg bent, besef je dat je eigenlijk alle kanten op kunt. En dan zie je bijvoorbeeld een berg aan de horizon, waarvan je denkt dat het een achtergrond is en in een typisch spel dat ook zou zijn, maar je kunt er gewoon naartoe lopen en die berg beklimmen.
Er is een Japanse spelontwikkelaar die zei dat het ontwerp van een goed spel draait om het opzetten van onzichtbare muren en het vervolgens laten wegvallen van die muren. Dát is het, dat gevoel te beseffen dat je vrij bent. Of je realiseert je dat je meer vrijheid hebt dan je dacht, en dat is het verslavende element. Papieren muren die wegvallen, dat is het soort gevoel waar je aan verslingerd kunt raken.
En ik denk dat dat ook een groot deel is van jong zijn en waarom mensen zo terugverlangen naar of zoveel belang hechten aan jeugd. Het gaat niet om de dingen die je doet. Het gaat om het verwezenlijken van mogelijkheden.
In het park praat de man op het bankje tegenover mij eindeloos aan de telefoon. Hij is misschien in de zestig. Het klinkt alsof hij op bezoek is bij een dochter die hem die dag niet wil zien. Ik lees verder in mijn boek, op een gegeven moment zegt hij: ‘I’m not into upskirts. I was never into upskirts.’ Even later: ‘You know, a fifteen-year old in pictures like that, they send you away for that …’ Er zit een valk in een boom. Een halfuur lang kijkt er niemand naar, plotseling staat er een hele horde mensen, maken ze foto’s, praten ze er samen over. De man naast mij is dit aan het opschrijven. Ik voel me opgelucht dat de verantwoordelijkheid niet bij mij ligt om hier proza van te maken.
SCOTTIE HARVEY
Ik denk dat het heel moeilijk is om te leren dat dingen verloren gaan aan de geschiedenis. Ik weet nog dat ik als kind last had van een idioot heftige angst en dagelijkse paniekaanvallen, dat soort dingen. En ik raakte toen geobsedeerd door het idee van dingen kwijtraken, door die angst om dingen kwijt te raken. En ik dacht bij mijzelf: als ik een steen in de oceaan zou gooien — en dit zijn de gedachten van een kind — en ik terminaal ziek was, en mijn wens bij de Make-a-Wish Foundation zou zijn om die steen terug te vinden, zou dat dan mogelijk zijn?
En ik raakte daar geobsedeerd door, ik dacht hier constant aan. Ik kon geen dingen meer weggooien, zoals een rietje van mijn lunchpakket. Het werd een obsessie: als ik het kwijtraak, kan ik het niet meer terugkrijgen. En nu ik ouder ben en dingen veranderd zijn, wat betreft mijn biologische samenstelling, de manier waarop mijn hoofd werkt en mijn begrip van de wereld, is het zo bevrijdend om gewoon te denken: ik gooi iets weg en het is voor altijd verdwenen. Maar het enge is: nee, dat is niet zo. Veel dingen verdwijnen gewoon niet. En ik denk dat ik in mijn werk geobsedeerd ben door de dingen die verdwijnen, terwijl je ze nog steeds kunt voelen.
Het heeft geregend wanneer ik bij Union Square aankom, het maakt de lucht frisser. Er is een marktje op het plein voor het gebouw waar de tweede versie van The Factory zat. Edie Sedgwick kwam er amper, brak met Andy Warhol kort nadat hij erheen was verhuisd. Links van het barok versierde Drucker-gebouw zit een Chase-bank, rechts ervan een McDonald’s. Het voorportaal van het gebouw zelf is een wietwinkel, recentelijk gelegaliseerd, genaamd Dazed. In het gebouw zelf kwam Valerie Solanas, die op 3 juni 1968 Andy Warhol neerschoot, wat hij ternauwernood overleefde. Na die gebeurtenis, zegt men, is hij nooit meer de oude geworden. De deur ging niet meer voor iedereen open, hij installeerde beveiligingscamera’s. De receptionisten werden geïnstrueerd om zo verwarrend mogelijk te zijn aan de telefoon zodat mensen niet langs zouden komen. Nu is er nergens aan te zien dat er hier ooit iets van betekenis te vinden was, hangt er geen plaquette om The Factory of Andy Warhol te eren. Het voelt vergeten, ik heb het gevoel dat ik iets aan het herdenken ben, iets wat voor anderen onbelangrijk is, voor mij misschien ook. Ik had niet gedacht dat ik hier zou komen.
LF
Misschien is het een manier om de werkelijkheid te ontvluchten, maar ook om te proberen mezelf eraan te herinneren dat er ergens iets anders te vinden is. En ik wil me voorbereiden om dat andere te ontmoeten en er klaar voor zijn, en op de een of andere manier zal dat iets goeds zijn. Een manier om te onthouden dat het zou kunnen gebeuren en er iets is, ergens.
Ik ben nu achtentwintig en schrijf dit op een bankje in het park op Union Square. Er loopt een man langs met een kar vol spullen, minutieus opgestapelde dozen en blikjes en flessen. Ik besef dat ik ze al mijn hele bezoek lang zie, deze dakloze hoarders. In het boek over Edie vertelt iemand dat amfetamineverslaafden obsessief spullen organiseren, spullen in potjes in doosjes die perfect in andere dozen passen. Een paar dagen later vertrek ik uit New York, blijf ik vertrekken, maandenlang. Als een bezetene vertrek ik van iedere plek waar ik land. Ik vertel mezelf: ik weet wie ik ben, ik weet wat ik hier doe.¶
Verhaal
We hadden nergens om naartoe te gaan
Essay
Diefstal
Beeld
Shifting Sitting
Poëzie
—
Verhaal
De Ongetikte
Essay
Witte wieven
Verhaal
Alle water
Essay
De kunst van het veranderen
Beeld
Submerged Heritage / Verzonken Leven / Soengoe Kondre
Verhaal
Met wie spreek ik
Poëzie
Eros
Poëzie
Sterfgebed
Verhaal
Hún Houzee werd een Heil
Essay
De antwoorden
Poëzie
Bijna weg
De vrouw die Japans wilde leren
Essay
Oostersch. De soefische poëzie van J.H. Leopold
Stripverhaal