Redactioneel
Het lijkt alsof er een witte mist op me is neergedaald, zonder dat ik het doorhad.
Of liever gezegd, het heeft me overgenomen. Het heeft bezit van me genomen. Of nam ik er bezit van? Wie hoort bij wie? Of wat hoort bij wat?
Ben ik de witte mist geworden? Soms weet ik niet meer wie ik ben. Ik ga van vriend naar vriend, van mijn man naar mijn kinderen, van universiteitscollega’s naar onfortuinlijke dichters die na een voordracht met me in de kroeg zijn beland, en herhaal mijn klaagzang: ‘Ik voel me gewoon mezelf niet.’
Ik heb geen betere manier om het te omschrijven. Ik weet niet precies waardoor het veroorzaakt wordt. Ik kan niet eens uitleggen hoe ‘mezelf’ zou moeten voelen. Zou ‘mezelf’ zich op een andere plek bevinden? Heeft ‘mezelf’ een andere vorm, een andere leeftijd, of bestaat het in een andere tijd? Zou ‘mezelf’ tegen je spreken in een andere taal?
Het is een algemeen erkende waarheid dat een vrouw, wanneer ze eenmaal bedekt is met wit, net zo goed een geest kan zijn. En vaak genoeg een behoorlijk gemene. Van Brazilië tot Estland tot Thailand tot Wales wordt de ‘witte dame’ (of dame blanche, Мртва Жена у Белом, of Kaperosa, om haar taalkundige spookgebied nog verder uit te breiden) ‘s nachts gevreesd door taxichauffeurs, ze zweeft boven meren, slaakt holle kreunen of hoge kreten, steekt kastelen in brand, duikt op in het schijnsel van de volle maan, is soms een berg, ontvoert pasgeborenen en kwelt bruidegoms op hun huwelijksdag, met de bedoeling hen mee te sleuren naar de onderwereld.
‘Witte dames’ zijn zowel slachtoffers als katalysators van grote tragedies, meestal van romantische of reproductieve aard. Wellicht zijn ze in wit gehuld als groteske tegenhangers van maagdelijke bruiden. Of wellicht zijn bruiden juist in het wit gekleed om de angstaanjagende verschijning van de witte dames te herstellen en te herschrijven.
Een vrouw in het wit die geen bruid zal zijn en geen kinderen zal baren is een geest, een gruwel, want ze is een vrouw die niet te beheersen valt.
De Koreaanse versie van de witte dame wordt meestal aangeduid met 처녀귀신 (maagdengeest). Volgens de folklore zal een meisje dat sterft voordat ze haar plicht als echtgenote en moeder heeft vervuld, in het hiernamaals zo doordrongen raken van schaamte en spijt dat ze verandert in een witgekleurd, witgekleed gevaarte met ongekamd haar en ogen waaruit bloed druipt. De Japanners hebben hun eigen versie van deze onverzorgde, onbetamelijke jongevrouwengeest, die je wellicht uit een waterput en vervolgens uit de televisiesneeuw hebt zien kruipen in The Ring.
Een zus van de Koreaanse maagdengeest en een andere variatie op de witte dame is 달걀귀신 (eiergeest). De eiergeest, hoogstwaarschijnlijk kinderloos gestorven, verschijnt of als echt ei, of als vrouw zonder gezicht. Wie de eiergeest in haar gezichtsloze gezicht aankijkt, is verzekerd van een onmiddellijke dood.
Het kan zijn dat deze witte-damesgeesten niet alleen de vrouwen vertegenwoordigen die te vroeg stierven om bruid te worden, maar ook alle getrouwde vrouwen nadat ze kinderen hebben gebaard. De Koreaanse maagdengeest lijkt vaak zowel heel jong als heel oud. Is een vrouw die niet meer kan trouwen, die geen kinderen meer kan baren, in wezen niet een gezichtsloze geest in een patriarchale samenleving? Kan een vrouw die niet meer hoeft te trouwen, die geen kinderen meer hoeft te baren, niet net zo onbeheersbaar zijn als de geest van een vrouw die dat nooit zal doen?
In sommige weergaven van witte dames zijn de vrouwen niet per se dood, hoewel meestal nog steeds ongetrouwd en kinderloos. In Wilkie Collins’ roman
The Woman in White beschrijft Walter Hartwright zijn ontmoeting met het titelpersonage, ook bekend als Anne Catherick, als ‘a sensation oddly akin to the helpless discomfort familiar to us all in sleep, when we recognise yet cannot reconcile the anomalies and contradictions of a dream’. Haar verschijning is verontrustend; zelfs levend blijft ze ondoorgrondelijk, bestaat ze enkel in relatie tot de verhaallijnen van andere personages, en heeft ze een eigenaardig gevoel voor mode. Uiteindelijk sterft ‘The Woman in White’ als een maagdelijke eiergeest, de tragische tegenhanger van haar succesvolle zus, de vrouw die trouwt en een titel erft. De titel van de roman blijkt een spoiler te zijn. Maar het zou ook een ironische grap kunnen zijn: wellicht zijn beide vrouwen voorbestemd om een ‘Woman in White’ te worden, hoe tragisch of succesvol de maatschappij haar ook acht.
In Nederland worden de witte dames of ‘witte wijven’ vaak afgebeeld als kruising tussen een heksenkring en een luidruchtig vrijgezellenfeest: ze ontvoeren mensen en dwingen hen te dansen op een of ander verhoogd oppervlak. In Nederland verandert alles uiteindelijk in een festival, het is dus niet verwonderlijk dat het ook met bovennatuurlijke kwelling zo afloopt.
Ook hoeven Nederlandse witte wijven niet dood te zijn, ze hoeven niet eens ooit mens te zijn geweest. In de Nederlandse taal verwijst witte wijven (of ‘witte wieven’) naar een mistbank, een dikke laag witte nevel die laag boven de grond of net boven het water hangt. In dit geval is het onduidelijk of ze getrouwd en tot voortplanting in staat zijn.
Ik was een kind met een gesplitste identiteit en nu ben ik een vrouw die kinderen heeft gebaard en grootgebracht binnen nog een reeks splitsingen. ‘Mezelf’ is al lang opgeschort, deels binnen en deels buiten al deze identiteiten en plaatsen, en wanneer ik voelde dat ik wegdreef, kon ik ‘mezelf’ opschrijven in iets wat ik kon zien, iets waar ik me aan vast kon houden.
Maar plotseling heeft mist mijn hoofd gevuld, mijn lichaam vertraagd, de woorden die ik gebruikte om mezelf, scherp en levendig, aan deze wereld vast te haken, bedekt met een dikke laag. Ik herken ‘mezelf’ niet meer, niet op de pagina, niet in de spiegel, niet in de manier waarop anderen me lijken te zien. Waar ik er ooit van overtuigd was dat ik rondtrekkend overal thuis kon zijn, voelt het nu alsof ik vastzit, alleen elders thuis, misschien wel nergens. Het is niet alleen het landschap, noch de cultuur, noch het huis om me heen, maar dit lichaam zelf waarin ik niet lijk te passen. Soms denk ik dat dit werkelijk een spookverschijning is: een geest die ronddoolt, tegen iedereen die hij maar tegenkomt herhaalt: ‘Ik voel me hier gewoon mezelf niet.’
Een volwassen lichaam bestaat voor ongeveer 60 procent uit water, een volwassen hondenlichaam voor ongeveer 70 procent. Er wordt me verteld dat een gezonde hond een natte neus heeft.
Mijn hond, Gijs, is ouder dan zestien. Een deel van de bruine vacht op zijn kop is wit geworden, maar toch heeft hij een natte neus. Ook lijdt hij aan vergevorderde dementie. Hij herkent zijn naam niet meer, soms slaapt hij de hele dag en blijft hij de hele nacht wakker, blaffend, en hij weet niet meer wat de juiste plekken zijn om te plassen. Een van zijn ogen is bedekt met een dun, wit waas.
Gijs is ouder dan mijn kinderen, en de afgelopen maanden hebben we het bijna dagelijks over zijn naderende dood. We hebben naar dierencrematoria in de provincie Utrecht gezocht en besproken waar we zijn as zouden kunnen uitstrooien. We weten dat we harteloos zijn. Al maanden geleden zei de dierenarts dat we misschien beter afscheid van hem konden nemen. We dwingen deze oude, verwarde hond om te blijven leven, enkel om nog niet te hoeven rouwen om de hond die we al verloren hebben. We maken plannen voor wat er daarna zou kunnen gebeuren, om de beslissing voor wat er nu moet gebeuren uit de weg te gaan.
Tijdens een van deze discussies bekende ik aan mijn kinderen dat ik wil dat ze mijn as uitstrooien over de Stille Oceaan als ik gestorven ben. Het floepte eruit, onopgemerkt onder alle pogingen om mijn verdriet te verdoezelen. Ik heb jarenlang in New England gewoond; ik woon nu al meer dan een decennium in Nederland. Over niet al te lange tijd zal ik langer naast de Atlantische dan naast de Stille Oceaan hebben gewoond. De Atlantische Oceaan is de oceaan van waaruit mijn kinderen de rest van de wereld in kaart brengen.
Ik denk aan de lucht in Californië, aan de wolken die drijven naar de verre horizon waar ik ben geboren, in Seoul, en ik weet dat ik me ergens in het water dat door het licht van die lucht wordt geraakt, in de dood mezelf zal voelen.
Ik denk zo vaak aan ‘mezelf’ als iets wat ergens in het verleden verloren is gegaan, maar misschien kan ‘mezelf’ alleen een toekomstige vorm zijn.
Het lijkt alsof er een wolk op me is neergedaald. Hij zit op mijn hoofd, volgt me overal naartoe, toont me de wereld en toont mij, alleen via hem, aan de wereld.
Ik heb mijn immigrantenvrienden hun aanpassing aan hun nieuwe land horen beschrijven als een achtbaan. Soms lijkt alles best goed te gaan: je maakt een gezellig praatje met je buren, klaagt over de vreemde honden die op de bloemen in je straat pissen; je weet in je nieuwe taal al je symptomen aan je dokter uit te leggen, en nadat die je recept heeft uitgeschreven, krijg je een klopje op je arm: ‘Het gaat heel goed in het Nederlands, hoor’, als erkenning van je inspanning; je bent blij als je ziet dat je vandaag met je Bonuskaart € 5,64 hebt bespaard op je boodschappen. Je zegt tegen jezelf: ‘Kijk mij eens, I’m so ingeburgerd.’
En plotseling, van de ene op de andere dag, houd je het hier niet langer uit: je bent het zat om elke dag boterhammen te eten; midden in de nacht giet je stroop over de fiets van je buurman omdat je het zat bent dat hij hem steeds voor je deur parkeert; op werk wordt je verteld dat je toon agressief is, alleen omdat je toevallig een obscuur woord van drie lettergrepen in je eigen taal gebruikte, een taal waarvan iedereen denkt dat ze hem net zo goed kennen als jij; je moet toegeven dat je waarschijnlijk ook agressief was, want je weet heel goed hoe en wanneer je de taal als wapen kunt gebruiken; maar nu kun je nog geen zin volgen in je nieuwe taal, het maakt je zelfs kwaad als je kinderen de taal hoort spreken. Je weet zeker dat het weer over zal gaan, maar je weet ook zeker dat het terug zal komen.
De wolk in mijn hoofd is, denk ik, de opeenstapeling van immigrantenuitputting. Maar dan denk ik, iedereen die in het Nederlandse onderwijs werkt is onzeker en opgebrand; ik weet zeker dat mijn baan hier een rol bij speelt, maar ik ben er zo moe van, te moe zelfs om er nog over te klagen. Dan denk ik, het is ook waar dat ik de hele nacht ben opgebleven om naast mijn hond te zitten en hem gerust te stellen zodat hij niet zou blaffen en iedereen in mijn huis, en misschien wel mijn straat, wakker zou maken. Misschien had ik even kunnen indutten toen hij dat ook deed, maar in plaats daarvan besloot ik om Chatgpt uit te proberen en het te vragen mijn numerologische horoscoop te lezen. Chat, according to the stars, should I quit my job? Het verzekerde me dat ik mijn loopbaanambities zou bereiken rond mijn zestigste. But where will I be then? Who will I be then? What will I be then?
Toen ik met een vriend over de perimenopauze sprak, vertelde hij me dat perimeno in het Grieks ‘ik wacht’ betekent. Waar ik ook ben, wie ik ook ben, wat ik ook ben, wat is de kans dat ik niet langer aan het wachten zal zijn tot ‘mezelf’ verschijnt?
Blijkbaar vernieuwt het lichaam zichzelf elke zeven jaar, wat zou betekenen dat, op dit moment, al mijn cellen zijn geregenereerd in het licht van een Nederlandse lucht, door de opname van Nederlands water en de vitamines van wat is geteeld op (of anders is ingevlogen en met grote vrachtwagens vervoerd naar) Nederlandse grond.
Vorige zomer in Tokio zei mijn vriend Misako tegen me dat ik ‘een echte Nederlandse vrouw’ ben geworden. Ik begon tegen te sputteren, maar toen besefte ik dat het misschien maar beter was het gewoon te accepteren. Ik ben geboren in Zuid-Korea, maar bracht mijn puberteit door in de VS en kreeg mijn Amerikaanse paspoort op mijn negentiende. Misschien moet ik mijn overgang in Nederland vereeuwigen door ook hier staatsburgerschap aan te vragen als het allemaal voorbij is. Eindelijk zal ik op papier met dit land getrouwd zijn; ik zal een gedocumenteerd wit wijf zijn.
Ik ben hier zwanger geraakt en bevallen. Ik heb hier een abortus ondergaan. Hier maakte ik de keuze om nooit meer te bevallen. Wat mijn keuzes ook waren, nu heeft de tijd beslist dat mijn oestrogeen geleidelijk uit me moet wegsijpelen, door de afvoer, langs de kanalen de Noordzee in.
Mijn witte haar is mijn Nederlandse haar. Maar dit betekent dat mijn zwarte haar, nog altijd aanwezig maar eronder verborgen, nu ook mijn Nederlandse haar is.
Toen ik hier net naartoe was verhuisd, werd ik vaak ‘een Chinees’ genoemd, en riep iemand weleens ‘ching chang chong’ naar me. Dit is in de afgelopen jaren helemaal gestopt. Ik denk dat de cultuur hier misschien diverser en sociaal bewuster is geworden. Ze zijn immers gestopt met het zingen van ‘Hanky Panky Shanghai’ op de basisschool van mijn kinderen. En als ik mensen vertel dat ik werd nageroepen op straat, worden ze plaatsvervangend kwaad, in plaats van te zeggen dat het niets voorstelt. Ik waardeer hun retroactieve woede, al is de versie van mezelf die zich door deze confrontaties bang, onzeker en uitgeput voelde, inmiddels verdampt in de grijze lucht. Ik kan nu inzien dat elke schreeuw een uiting was van hun eigen uitputting en onzekerheid. ‘Ik voel me hier mezelf niet,’ vertellen ze me. Ook zij zijn allemaal geesten, achtervolgd door het idee dat wie ze zijn en waar ze zijn niet langer bij elkaar passen. Uiteindelijk leren geesten dat wrok koesteren jegens andere geesten nooit iets zal veranderen.
Of misschien zorgt mijn wit geworden zwarte haar er simpelweg voor dat ik opga tussen de blondines. Ik realiseer me dat ik voor de eerste keer in mijn leven mijn haar in elke kleur zou kunnen verven die ik maar wil (knalroze?) zonder het met bleek te beschadigen. Leuk idee, maar ik zou het nooit doen. Ik zou me niet mezelf voelen.
Of misschien wordt een vrouw in de perimenopauze transparanter, van ongrijpbare substantie, ongeacht haar afkomst. Wat ze ook draagt, welke kleur haar haar ook heeft, ze wordt een vrouw in het wit. Een eiergeest.
Het maakt me niet uit dat ik onzichtbaar ben, als dit betekent dat ik kan kiezen wanneer ik plotseling verschijn en angstaanjagend ben. I can appear in your path out of nowhere, I can force you to dance, I can even become one of you! Dat ik onbeheersbaar lijk voor anderen is misschien iets wat ik zelf kan leren beheersen. Misschien betekent een wit wijf worden wel dat je een onbeschreven blad wordt. Als ik ‘mezelf’ niet meer kan schrijven, bestaat er misschien een versie van haar waarvan ik bezit kan nemen.
Wit Wijf
They seem to rise from the ground, often in the most quintessentially Dutch settings, such as the Biesbosch or Drenthe. They love a (flooded) polder, some prehistoric dolmen, and a large population of Protestants. But you know the warmth that animates them comes from elsewhere, from over the sea. They are creepy; they literally appear to creep. You could call them migrants, strangers, interlopers, a danger, a curse. You don’t understand what their purpose is. You don’t enjoy looking at them. You try to see through them. You try to get past them. You hope they will go away soon.
Still, they belong here just as you do. The cold flatness of this land and the wetness particular to this air, the same air that moves in and out of your lungs, are what give them their visible form.
In other words, the warmth from there, the coldness from here, both are essential to this strange whiteness that both covers and rises from this ground — this body — you now feel to be your own. ¶
Vertaling: Eddie Azulay
Verhaal
We hadden nergens om naartoe te gaan
Essay
Diefstal
Beeld
Shifting Sitting
Poëzie
—
Verhaal
De Ongetikte
Verhaal
Alle water
Essay
De kunst van het veranderen
Beeld
Submerged Heritage / Verzonken Leven / Soengoe Kondre
Verhaal
Met wie spreek ik
Poëzie
Eros
Essay
Poor Little Rich Girl
Poëzie
Sterfgebed
Verhaal
Hún Houzee werd een Heil
Essay
De antwoorden
Poëzie
Bijna weg
De vrouw die Japans wilde leren
Essay
Oostersch. De soefische poëzie van J.H. Leopold
Stripverhaal