Redactioneel
Stel je een spartaans ingerichte rechtbank in Boekarest voor. Een advocaat staat op het punt een poging te wagen zijn cliënt vrij te pleiten. Die wordt beschuldigd van de inbraak bij de Rotterdamse Kunsthal in 2012. Maar de advocaat krijgt de kans niet. Nog voor zijn pleidooi is de rechter in woede ontstoken.
Woede is voorzichtig uitgedrukt. De rechter lijkt in shock over het schoeisel van de advocaat. Onder diens toga steken twee felblauwe Adidas-sportschoenen prominent naar voren.
Journalist Ingrid de Groot van dagblad Trouw is erbij. ‘Ordinair’ tekent ze op uit de mond van de rechter. En: ‘Waarom hebt u die aan? Kom volgende keer in fatsoenlijke kleren!’
De advocaat is niet van het bedremmelde soort. Hij scheldt terug. Het komt hem op een boete te staan, 1200 euro, want advocaten hebben niet het laatste woord in een rechtszaal.
Een kwartier later zit de advocaat op een bankje naast de Nederlandse journalist. Hij zegt tegen haar iets als: ‘Dit is waarschijnlijk voor het eerst in deze wereld dat een advocaat een boete krijgt vanwege een paar Adidas-schoenen.’
Ik heb deze reportage gelezen omdat ik destijds zelf over die Kunsthalroof schreef, in dagblad NRC. Maar de woede over die gympen heb ik onthouden om een andere reden: ik raakte geïntrigeerd door de fascinatie met Adidas onder veel Oost-Europeanen. Dat begon in Polen, waar ik niet lang na de Kunsthalroof naartoe was verhuisd, mijn vrouw achterna. In Polen bleek het sportmerk Adidas, van de drie strepen, prominent aanwezig in het straatbeeld. Tegelijk is het in Polen ongewoon en zelfs moeilijk voor te stellen dat een advocaat schoenen van dat merk draagt in een rechtszaal. Net als in Roemenië, kennelijk.
Dat is niet gek: de scheiding tussen formele en informele kleding is in Oost-Europa groter dan in Nederland. Dit hangt samen met een culturele kloof tussen hoogopgeleide en laagopgeleide burgers, wat sociologen tegenwoordig liever praktisch en theoretisch opgeleiden noemen. Over de grootte van die kloof woedt in Nederland vandaag de dag een stevige discussie. Dat is vast allemaal heel interessant, maar één ding is duidelijk: Nederland verbleekt bij Polen. Daar is die kloof aanzienlijk dieper. Dat verbaasde mij aanvankelijk, want ja, vijfenveertig jaar reëel bestaand socialisme, onder de ontzielende leiding van de Sovjet-Unie, dat zou toch wel iets van een culturele nivellering teweeg hebben gebracht? Nee, toch niet. ‘De poging van de communisten om ons allemaal even arm te maken is succesvol geweest,’ legde een Poolse buurman me uit met het air van een doorgewinterde socioloog, ‘maar dat heeft ons juist nog meer aangespoord ieder ander verschil tussen mensen te onderstrepen, zeker klassenverschillen. Decennialang.’
Dat onderstrepen van verschillen in opleiding en afkomst komt van beide kanten. Wie een voetbalwedstrijd van Legio Warschau bezoekt ziet alleen maar mannen met opgeschoren haren, tatoeages en… in Adidas-pak. Op mijn werkplek, de universiteitsbibliotheek, zag ik zelden korte kapsels of Adidas-pakken.
Zelf draag ik graag een trainingsjack van dit merk, ook als ik niet sport of een voetbalwedstrijd bezoek. In Polen liep ik voor het eerst in mijn leven aan tegen mensen die daar iets van zeiden, geïrriteerd, soms zelfs met enige minachting.
Gelukkig heb je als journalist in het buitenland een goed excuus om geïnteresseerd te vragen naar de culturele achtergrond van geuite, of althans merkbare ergernissen. De antwoorden bevestigden de observatie dat in Polen een groter verschil tussen formele en informele kleding bestaat. En ik leerde nog iets. Het Pools kent het woord dresiarz, van dres (trainingspak), dat een type jongeman aanduidt, gekleed in sportkleren, asociaal en agressief qua reputatie, met een voorkeur voor eenlettergrepige woorden. En dit vond ik politicologisch het interessantste: terwijl dit type jongeman acab (‘all cops are bastards’) op muren en ruiten kalkt en moeite heeft met het accepteren van autoriteit (van school, ouders of politie), steunt hij, paradoxaal genoeg, autoritaire autocraten in de politiek.
Dresiarz dragen niet noodzakelijkerwijs Adidas. Eigenlijk is ieder trainingspak goed. Dat is anders voor hun Russische evenknie, de gopniks, die louter Adidas dragen. Zonder Adidas ben je geen gopnik. In het Westen zijn ze vooral bekend als internetmeme: altijd hurkend, vaak kauwend op zonnebloempitten en luisterend naar keiharde Russische pop. Als belichaming van richting- en ordeloosheid hurken ze indolent aan de onderkant van de samenleving. Tegelijk, zo blijkt uit de kreten die ze op internet slaken, koesteren ze het recht van de sterkste.
Dat kan hè? Wie zelf zwak is kan best opkomen voor het recht van de sterkste.
‘Ze zijn losgeslagen,’ vertelt een Rus me. Dat zal vast, maar de gopniks zijn tegelijk conformisten to the max: zonder Adidas-pak hoor je er niet bij. Ze zitten vast aan enkele strenge kledingcodes.
Na vier jaar Polen voerde het beroep van mijn echtgenote me naar Albanië. Niets had me kunnen voorbereiden op wat ik daar aantrof. Al direct bij aankomst op het vliegveld zag ik taferelen die mijn verbeelding tartten. Dat is een clichématige uitdrukking, ik weet het, maar dat is precies wat er gebeurde: zoveel mensen in Adidas-kleding… dit leek een collectieve grap.
Het waren zeker ook niet alleen gopnik-achtige typen in het sportmerk. Van kleine kinderen tot ouden van dagen, van baby’s tot bejaarden, van stoere types tot brildragende studieuze figuren, van jonge vrouwen tot wiskundeleraren. Adidas was hier overal. Albidas, grapte een dochter.
Ook de belangrijkste archeoloog van het land, Neritan Ceka, droeg een zwart trainingspak met witte strepen. Ik zag het, omdat ik de tachtiger ging interviewen over de Via Egnatia, een oude Romeinse weg die dwars door Albanië loopt. We dronken koffie bij het zwembad waar hij dagelijks zijn baantjes zwemt. Ceka bleek een knappe man, mooi wit haar bij een symmetrisch gezicht. Ik kon het niet laten hem behalve naar de Romeinse beschaving ook naar zijn trainingspak te vragen. Hij reageerde slechts met een glimlach. Bij het afscheid kwam ik er nog eens op terug en toen zei hij, als om ervanaf te zijn: ‘Klederdracht.’
‘Bui-ten-gewoon!’ Dezelfde dochter imiteerde me, met overdreven bekakt stemgeluid. Ik begreep de spot en toch… het is toch ook interessant? Hoe kon een mondiaal opererend Beiers kledingmerk uitgroeien tot de klederdracht van één natie? Een fascinatie was geboren.
Tegen mijn kinderen en echtgenote raakte ik er niet over uitgepraat, tot zij meenden dat er niets meer over te zeggen viel. Waar kon ik toen heen met mijn verwondering? Ik ging fotograferen. Ik wilde dit vastleggen, want wellicht was dit een unieke fase in de geschiedenis van een land, de mensheid, of een kledingmerk.
En als niet uniek, dan toch wel extreem opvallend: een hele samenleving in een en hetzelfde merk, in duizenden varianten.
Ik had drie jaar de tijd om dit fenomeen vast te leggen, zo lang zouden we in Tirana blijven. Ik herinner me nog de opwinding bij het fotograferen van een vrouw (ik zag haar in de supermarkt) die in een zwarte sluier liep (best ongewoon in het tamelijk seculiere Albanië) met drie witte strepen, verticaal over haar hoofd.
Of neem de rondborstige, besnorde man die zijn voeten in goudkleurige pantoffeltjes had gestoken met drie zwarte Adidas-strepen.
Soms fotografeerde ik iemand met een Adidas-jack uit de jaren negentig, verbleekt en besmeurd, maar meestal oogden de pakken spiksplinternieuw, vaak zwart, soms bordeauxrood of donkerblauw, af en toe felgekleurd, fluorescerend zelfs, een enkele keer met een bloemenpatroon.
Ik fotografeerde honderden Albanezen in Adidas. En iedere foto vergrootte het verlangen de Albanese Adidas-liefde te doorgronden. Een van de vragen die ik had was: wanneer was dit ontstaan?
‘Nou, niet zo lang geleden,’ zei een man uit het voetbalteam waar ik ook deel van uitmaakte. ‘Je weet toch dat er voor 1991 geen buitenlandse kleding het land in kwam?’
Ja, dat wist ik natuurlijk wel. Het communisme viel er pas twee jaar na de val van de muur in Berlijn. Tot die tijd was Albanië een stalinistische openluchtgevangenis. De muren waren hoog, de economie autarkisch, er kwam weinig in en er ging weinig uit. Het land had nagenoeg de gehele wereld de wacht aangezegd: het perfide Westen vanwege het kapitalisme, de Sovjet-Unie nadat de destalinisatie daar was afgekondigd, het Warschaupact door de inval in Tsjechoslowakije. Een van de populaire slogans van het regime, geschreven op grote banieren en muren: ‘Wij eten nog liever gras dan dat we onze marxistisch-leninistische principes verloochenen.’ In de jaren tachtig was de beeldspraak realiteit geworden. Mensen aten gras.
‘Adidas kwam daarna.’
Had de Adidas-liefde te maken met de val van het communisme? Kwam het een niet alleen na het ander, maar ook door het ander? Ik vroeg het eens na een wedstrijd, in de kantine van het overdekte voetbalcomplex. Er kwam niet echt een antwoord. Wel maakte de vraag een heftige discussie los onder de teamleden, over henzelf, hun cultuur en over iets als een nationale identiteit.
Aanleiding was mijn vraag, zeker, maar ook de foto’s van Albanezen in Adidas die ik op Instagram had geplaatst. Voor mijn komst naar Albanië had ik een account gecreëerd zonder er ooit iets mee te doen. Dat veranderde toen ik zag dat zelfs de premier op Adidas-gympen liep. De charismatische autocraat met de naam Edi Rama liep er zelfs op tijdens een ontmoeting met EU-leiders; wit met donkerrode strepen, onder een stemmig blauw pak. Vanaf dat moment gebruikte ik Instagram alleen nog voor foto’s van Albanezen in Adidas.
Het leidde tot ongemak in mijn team. Een oudere aanvaller, Elvis Toci, verbaliseerde het ongemak: hij noemde de foto’s ‘stigmatiserend’. Maar gelukkig, nog voor ik bedacht had hoe te reageren, klonk een harde lach aan de andere kant van de tafel. Ilir, een middenvelder, riep naar Elvis: ‘Kijk wat je zelf aanhebt!’
Inderdaad, een Adidas-pak. Elvis, tikje beledigd: ‘Kom op nou, wij lopen toch niet allemaal in Adidas?’
Met ‘wij’ bedoelde hij duidelijk: wij Albanezen. Ilir, de beste uit het team, wees om zich heen. Nadat we allemaal hadden gezien dat van de zeven mensen die behalve wij in het café waren, maar liefst vijf van top tot teen in Adidas waren gehuld, zei hij iets als: ‘Elvis, voorzichtig met wat je beweert.’
Iedereen lachen, zelfs Elvis.
Empirisch zat ik goed, dat wist ik wel. Dat wist het hele team. Maar misschien had het ongemak met iets anders te maken.
Elvis gaf zich niet zomaar gewonnen. Was de Adidas-fascinatie niet meer iets van de regio dan van Albanië alleen, opperde hij: ‘Ga eens in Montenegro of Macedonië kijken.’ In het gesprek dat volgde viel het woord ‘Slavisch’.
Dat was eerder gevallen, op Quora, een internetforum waar mensen elkaar vragen stellen, vaak over elkaars land en cultuur. Na een paar weken in Albanië had ik mijn allereerste en voorlopig laatste bijdrage aan Quora ingetikt: ‘Waarom houden Albanezen zoveel van Adidas?’ Een Albanees antwoordde dat ik me verkeerd had laten informeren: ‘Echte Albanezen zouden nooit zulke primitieve, Slavische vodden dragen. Daar staan ze boven.’ Iemand Slavisch noemen is in Albanië van oudsher een belediging, omdat Serviërs, Montenegrijnen en Macedoniërs tot de Slavische volkeren worden gerekend, of in ieder geval een Slavische taal spreken. Het Albanees is een opzichzelfstaande Indo-Europese taal en zou afstammen van wat de Illyriërs spraken, een volk dat in de Oudheid in de bergen woonde die nu zo’n beetje allemaal in Albanië liggen.
Mijn teamgenoten moesten lachen om dat ‘Slavische vodden’. Ilir stelde een wedervraag, waarschijnlijk retorisch bedoeld: ‘Dus alle Albanezen in Adidas-pakken zijn geen échte Albanezen maar eigenlijk Slavische minkukels?’
Ilir is opgegroeid als wees in Gjirokastër, bekend als ‘de stenen stad’. Het kreeg die naam dankzij de fictieve kroniek die Ismail Kadare schreef over de plek, een verzameling grijze leistenen huizen tegen een steile berghelling waar de schrijver en Ilir hun school doorliepen. Ilir telde het aantal Adidas-pakken dat hij in zijn leven had ‘verbruikt’. Hij vertelde waar hij ze had gekocht, in welke kleurstelling en hoelang hij voor ieder pak had moeten sparen. Ilir: ‘En weet wel: ik heb Albanië nooit verlaten. Maar ik kan natuurlijk Slavisch bloed hebben. Je weet het nooit hier op de Balkan.’
Er werd vaak gelachen tijdens deze discussie, tikje te luid soms, waardoor duidelijk werd dat iedereen op scherp stond, veel scherper dan anders na een potje voetballen op maandagavond.
Het was een les voor me, over de verhouding tussen vooroordeel en waarheid. Het zette me ook op het pad van Maria Todorova, een Bulgaarse historicus die in haar artikelen graag het woord ‘balkanisme’ gebruikt, als variant op het bekende oriëntalisme van de Egyptische Amerikaan Edward Saïd. Een variant… Wel, ze doelt met Säid op een geheel aan westerse representaties die ‘de Oriënt’ construeren als fundamenteel anders dan het Westen. Vergelijkbare westerse representaties creëren volgens Todorova een ‘ander’ op de Balkan. Een ondergeschikte ander welteverstaan, want net als in het oriëntalisme van Saïd komt Todorova’s balkanisme voort uit een westers gevoel van superioriteit. Het slaat een grote diversiteit aan talen, culturen en levensbeschouwingen plat tot één beeld en versterkt een idee van westerse culturele hegemonie.
Geen misverstand, balkanisme is geen set van leugens. Want ja, Albanezen lopen in Adidas-pakken. Elvis, die dit wilde ontkennen, loopt zelf in Adidas. Wel denkt hij, vermoedelijk, dat mijn belangstelling voor de Albanese Adidas-fascinatie (en zeker mijn Instagramaccount) voortkomt uit een verlangen mijn eigen bevoorrechte positie te onderstrepen. Dat doe ik door van Albanezen rare wezens te maken, gekkies in Adidas.
Wat het allemaal nog iets erger maakt, vermoed ik, is dat Albanezen een van de best verkopende kledingmerken ter wereld niet dragen om bijzonder te zijn, of apart. Ze doen dat juist in een streven op te gaan in een wereldwijde cultuur. Die drie strepen op armen, voeten en benen bewijzen dat ze deel uitmaken van een mondiaal opererende markt, met sterren als Lionel Messi, Kanye West en Bad Bunny — allen liepen ooit rond als uithangbord van Adidas. Niemand in het team zei het letterlijk zoals ik het nu uitspel en dus deed ik er even over voor ik het begreep. Maar dit is de gedachte ongeveer.
Later las ik een wetenschappelijk artikel van de antropoloog Stephanie Schwanders-Sievers met de heerlijke titel ‘Albanians, Albanianism and the strategic subversion of stereotypes’. Zonder het woord ‘racisme’ te gebruiken maakte zij duidelijk wat het balkanisme voedt: een beeld van inwoners op de Balkan als ‘white but not quite’.
Het bracht een grote schroom bij me teweeg om nog iets te beweren over de Adidas-liefde van Albanezen. Empirie was niet het probleem, zoals ik al opmerkte, en daarom bleef ik zonder gêne Albanezen in Adidas-pak fotograferen. Maar ik waagde me niet meer aan een theorie of culturele analyse van het fenomeen. Want wie was ik? Juist, Noord-Europese geprivilegieerde toeschouwer.
Ik ondermijnde mijn autoriteit als deelnemer aan een gesprek over de Albanese Adidas-liefde nog verder door te beweren dat de trainingsjacks en gymschoenen niet echt van Adidas zijn. Ze zijn nep, dacht ik oprecht. Ik was in mijn zoektocht naar Adidas-artikelen eens op de Roma-markt parallel aan de Bulevardi i Ri beland, in de hoofdstad Tirana, en daar zag ik dat je de meest uiteenlopende Adidas-artikelen kon kopen voor een paar honderd lek — omgerekend een paar euro. Zo goedkoop, dat moest nep zijn. (En ik sloeg mijn slag.)
Het team reageerde als gebeten. Waarom dacht ik dat zij bereid waren in nep te lopen? Was echte Adidas te goed voor ze? Beweerde ik dat?
‘Nee, te duur!’
Na deze geschreeuwde verantwoording (‘natuurlijk denk ik niet dat Adidas te goed voor jullie is!’) wees Elvis met een korte beweging van zijn kin naar het rijtje glimmende zwarte suv’s die buiten het café annex sportcomplex stonden. Hun auto’s, mijn fiets er eenzaam naast.
De gekrenkte reactie van mijn teamgenoten lag in het verlengde van de publieke ophef die ik eerder in Polen had meegemaakt, over goedkope ingrediënten in supermarktproducten uit West-Europa. Consumenten uit Polen, maar ook die uit Tsjechië, Slowakije en Hongarije, hadden ontdekt dat bekende westerse producten in hun supermarkt andere ingrediënten bevatten dan dezelfde producten in supermarkten in Duitsland en de rest van West-Europa. Het ging om evergreens als Nutella en Milka-chocoladerepen. Aanvankelijk leek dit me een onzinnige samenzweringstheorie, voortgekomen uit de ambivalente en vooral gefrustreerde, want onbeantwoorde liefde voor West-Europa. Maar Unilever gaf het grif toe. Om het aantal verkochte potjes en repen te maximaliseren koos de multinational in minder kapitaalkrachtige landen voor goedkopere ingrediënten in hun bekendste producten. Unilever bevestigde een latent aanwezige angst onder Polen: ze mochten dan wel zijn toegetreden tot de EU, ze bleven tweederangsburgers.
Voor Adidas geldt natuurlijk hetzelfde. Als hun waar in Albanië evenveel zou kosten als in Duitsland of Frankrijk, zouden weinig Albanezen hun kleding kunnen kopen. Het modale inkomen in Albanië ligt rond de 900 euro per maand, op dat in Moldavië na het laagste van Europa.
Niet alle Albanezen rijden in suv’s zoals mijn teamgenoten. De teamgenoten trokken intussen allerlei kledingstukken uit en lieten de binnenkant zien, de zoom, de labels. Ik moest toegeven dat hun Adidas-outfits in niets verschilden van die in Amsterdamse winkels.
En toch. Ze zagen dat ik het moeilijk kon geloven.
Dat was ook zo. En dus schreef ik een mail aan een oude studievriendin die, zo zag ik op LinkedIn, bij Adidas was beland, als jurist. Ik vroeg haar, in een lange brief: Hoe zit het met Adidas in Albanië? Ze antwoordde dat Adidas relatief lage verkopen noteert in Albanië. Er is in het hele land maar één officiële Adidas-winkel en verder bestelt geen enkele winkel iets bij een legitieme leverancier. Dat ik toch zoveel Adidas om me heen zag, schreef ze, is betreurenswaardig, zeker, maar ‘er is weinig aan te doen’, schreef ze. ‘De Albanese douane geeft bescherming van intellectuele eigendomsrechten op het moment helaas bijzonder weinig prioriteit.’ En Albanië, gaf ze toe, was ook ‘niet echt onze topprioriteit’. Kleine markt, moeilijke rechtsgang, who cares?
Toen ik nog eens duidelijk maakte dat het onderwerp me aan het hart gaat — ‘vraag maar niet waarom’ — schreef ze over twee fabrieken in Turkije die grote hoeveelheden producten voor Adidas maken. Er zijn ‘sterke aanwijzingen’ dat deze fabrieken af en toe stevig bijdrukken, om het in schrijverstermen te zeggen. Wat extra is, gaat in vrachtwagens naar Albanië. Onderweg moeten douaniers iets krijgen, maar verder zijn de kosten bijzonder laag: de productiekosten van Adidas-artikelen vormen immers een fractie van de prijs. De Albanese consument betaalt op deze manier niet mee aan het salaris van mijn oude studievriendin, aan de sponsoring van grote voetbalteams en supersterren als Lionel Messi, noch aan de winsten van aandeelhouders als vermogensbeheerder BlackRock (goed voor circa 7 procent van Adidas’ aandelen) en het Noorse staatsfonds (5 procent) — laat staan aan de marketingbudgetten en spiegelglazen kantoren van het bedrijf.
Ha! Dus Ilir, Elvis, Ledi, Benni, Emil, Fadili: mijn voetbalmaten hadden gewoon gelijk. Alles is echt.
Me eenmaal bewust van mijn vooroordelen, mijmerde ik liever over natuurschoon. Makkelijker, omdat het bergachtige, groene, tamelijk lege Albanië verschrikkelijk mooi is, naar zo’n beetje alle maatstaven die de hedendaagse mens daarvoor aanlegt: hoge watervallen, diepe bergkloven, steile rotswanden, besneeuwde bergtoppen, eindeloze hoeveelheden zonnige dagen. Maar de chaos in het land, de gewelddadige politieke retoriek, de verwevenheid van boven- en onderwereld — wat kon ik er voor zinvols over zeggen? Want wie was ik nu eigenlijk?
Ik zag voortaan Adidas-onderwerpen (niks over zeggen) en niet-Adidas-onderwerpen (veilig om ter tafel te brengen). Ondertussen liep ik dagelijks in het Adidas-jack dat ik voor mijn verjaardag van dochters en echtgenote had gekregen. Stilletjes meende ik er mijn liefde voor het land mee uit te dragen. We verhuisden terug naar Amsterdam, ik begon een ingewikkeld boek dat zich in Albanië afspeelt en reisde enkele keren terug naar het land onder de ‘vervloekte bergen’ (zo heten ze echt), omdat mijn dochters hun vriendinnen in Albanië misten, maar vooral ook uit onzekerheid: ik ging nog meer Albanezen interviewen voor ik zelf iets durfde te beweren over hun land.
En toen ontdekte ik iets mafs. Aanvankelijk aarzelend, uiteindelijk met grote zekerheid. Tussen 2018 en 2026 verdween de dominantie van Adidas langzaam maar onmiskenbaar uit het straatbeeld van Tirana. Steeds meer Albanezen liepen in Nike, Reebok, of een merk waar ik de naam niet eens van ken. Steeds minder in Adidas.
Wat was er in hemelsnaam gebeurd?
Ik belde de studievriendin. Ze meldde opgetogen dat de fabrieken in Turkije, of werkplaatsen, waren ‘aangepakt’. Ze waren betrapt en Adidas had gedreigd hun orders niet meer bij ze te plaatsen als de multinational ooit nog zou horen dat ze voor eigen conto (dus clandestien) spullen voor de Albanese markt produceren.
Helder antwoord. Maar geen leuk antwoord. Tikje deprimerend zelfs. Het voelde als een soort ontmaskering: de kwantiteit Adidas in Albanië was gewoon om kosten gegaan, de prijs. De onderbouw bleek de bovenbouw toch te domineren, om het in marxistische termen te zien. In mijn woorden: materiële overwegingen verslaan culturele, terwijl ik juist zo naarstig had gezocht naar die laatste.
Ik dacht dat er een interessant antwoord was te geven op de vraag waarom Albanezen juist voor Adidas kozen en niet voor Puma, Hummel of Nike. En zelfs sommige teamgenoten gingen daarin mee. Eentje had beweerd dat Adidas het kledingequivalent was van Mercedes en BMW, twee merken die bij uitstek stonden voor Duitsland, het grote voorbeeldland, het paradijs op aarde, meer dan Amerika — waar het merk Nike vandaan komt.
Een ander zag de populariteit van het merk in de repressie onder Hoxha. Toen de dictator in 1967 een verbod op religie had opgenomen in de grondwet — als enige land ter wereld — vaardigde het regime ook wetten uit tegen het ‘tentoonspreiden van westerse invloeden’. Ordehandhavers gingen er voortvarend mee aan de slag. Agenten hielden mensen op straat aan om hun te wijde broekspijpen ter plekke kapot te knippen, vrouwen met te korte rokjes werden beboet, zij die iets te lang haar hadden (en dat had je in de ogen van de autoriteiten al snel) kregen te maken met een verplichte knipbeurt. In ‘instructie 7’ staat het helder: iedere verschijning is verboden die ‘tegen de normen van de socialistische esthetiek ingaat, zoals mannen met haren als vrouwen, met overdreven bakkebaarden, onregelmatige baarden en ongepaste kleding’.
Hoxha, die zelf een voorliefde voor Franse maatpakken aan de dag legde, wilde de decadentie buiten de deur houden die hij in de tegenbeweging van de jaren zestig in het Westen zag. Zijn eigen mensen zagen weinig, want buitenlandse zenders waren uit den boze en nagenoeg niemand mocht de openluchtgevangenis verlaten. Het buitenland was taboe.
‘Dus na de val van het regime gingen we los,’ zei deze teamgenoot. ‘We lieten ons haar groeien, kochten spijkerbroeken, meisjes gingen bijna naakt over straat in een stijl die jullie buitenlanders, nogal hautain, ordinair noemden. Wij genoten, van alles. Voor even. Niet voor lang, omdat repressie en dictatuur de ziel binnensluipen. Kijk om je heen: mannen hebben hun haar extreem kort geknipt en iedereen draagt dezelfde kleren.’
Albanezen stapten van formele kledingvoorschriften over op zelf opgelegde kledingvoorschriften. Welkom in de consumptiesamenleving, waar politieke partijen met de meest dwingende verbodsbepalingen het woord ‘vrijheid’ in hun naam voeren en mensen hun spaarpotten leegkieperen in het verlangen zich te conformeren aan schoonheidsidealen gecreëerd door producenten en goedbetaalde influencers.
En, o ja, dan was er ook nog de verklaring van Elvis. Want toen hij eenmaal was overtuigd van de grote hoeveelheid Adidas in Albanië, kwam hij toch nog met een theorie over de populariteit van Adidas: ‘Omdat vrouwenbillen gewoon goed uitkomen met die drie strepen erlangs. Dat vinden wij hier belangrijk.’
Nadat we de zaak van de clandestien opererende fabrieken collectief hadden behandeld, stelde Ilir, de spelverdeler, me een vraag. Waarom bleef ik hardnekkig in Adidas lopen, op en om het veld en zelfs tijdens diplomatenborrels, ‘nu het niets meer over Albanië lijkt te zeggen’.
Ik: ‘Omdat ik het gewoon een mooi jack vind.’
‘Ha!’ riep Elvis opgetogen en verontwaardigd tegelijk. ‘Dat is te makkelijk, vriend! Als wij dat als antwoord hadden gegeven toen jij ons ernaar vroeg, had je dat antwoord nooit geaccepteerd. Er moest van jou altijd meer achter zitten!’
Point taken. Misschien is zelfreflectie toch altijd weer moeilijker dan reflectie.
Elvis genoot van zijn overwinning: ‘Volgens mij moet je gewoon die foto’s voor zichzelf laten spreken. Geen verklarend essay proberen te schrijven.’
Hij kon wel genieten, maar eigenlijk had hij zich gewonnen gegeven. Want nu hij wist over die fabrieken in Turkije had hij ook geen bezwaar meer tegen mijn foto’s op Instagram. Die spraken nu ‘voor zichzelf’. Erover schrijven is dan kennelijk ook niet meer stigmatiserend. Gewoon tamelijk onbelangrijk.
Liet ik me zo makkelijk kennen? Of draaide mijn verwondering over al die Adidas-pakken in de straten van Tirana toch vooral, of eigenlijk, om iets anders? Om de vraag hoe en waarom een buitenstaander van een observatie altijd een verklaring maakt. ¶
Poëzie
De tuinen
Essay
Scheppen in autonome grond
Poëzie
Gedichten
Essay
Mozaïek en kiemcel
Verhaal
Gedeelde grond
Poëzie
Oden in de spooktuin
Essay
Verlangen naar gezamenlijkheid
Poëzie
Hagen
Essay
Met Otto in De Tuinen van de Egel
Poëzie
Missa botanica
Beeld
Garden
Verhaal
Zusterstemmen
Verhaal
Onderverlicht
Poëzie
Stillevens
Essay
De zwijgzame vulkaan
Poëzie
Naar het noorden
Stripverhaal
Closed due to weather
Beeld
Oproep van de tuinders
Beeld